De rechtvaardiging van slavernij in de oudheid en middeleeuwen

Een cultuurrelativistisch onderzoek naar de opvatting van (on)gelijkheid der mensen

Inleiding

Bezien vanuit ons modern, egalitair gezichtspunt wekt de rechtvaardiging van de ongelijke positie van individuen en klassen door grote denkers als Aristoteles, Augustinus en Aquino gemakkelijk bevreemding. Met name slavernij achten wij bij uitstek een barbaarse, mensonwaardige praktijk en menig hedendaags commentator vat de rechtvaardiging ervan door bepaalde klassieke denkers op als een achterhaalde vergissing, een teken dat zelfs de grootste en rationeelste denkers in tenminste bepaalde opzichten in hun eigen tijd gevangen zaten of zelfs als een teken van morele of intellectuele zwakte van die denkers. Bijvoorbeeld De Rijk spreekt in dat verband van “onmiskenbare blunders” die Aristoteles zou hebben begaan in “zijn gefilosofeer (…) over slavernij”[1] .
In deze paper wil ik onderzoeken of dit moderne standpunt ten aanzien van de rechtvaardiging van slavernij in de oudheid en de middeleeuwen het standpunt van die oude denkers niet tekort doet. Daarbij betrek ik de vraag of gezegd kan worden dat beide standpunten een voortvloeisel vormen van ‘toevallige’ culturele omstandigheden, waarbij wellicht het absolute gezichtspunt ontbreekt om het ene standpunt boven het andere te kunnen stellen. Hiertoe zal ik een beknopt overzicht presenteren van de slavernij en diens rechtvaardiging in de oudheid en de middeleeuwen binnen de relevante culturele en intellectuele kaders van die tijd. Voor een meer filosofische duiding van deze geschiedenis zal ik de opvattingen hieromtrent van met name Hegel, Nietzsche en Arendt bij het onderzoek betrekken.

1. Slavernij bij de oude Grieken

Terwijl slavernij bij alle oosterse volkeren voorkwam, kreeg de slavernij in de Griekse stadstaten gedurende de klassieke periode een absoluut karakter waardoor de tegenstelling slaaf-vrije ontstond.[2] Zij werd daarbij van hulpmiddel tot systematisch productiemiddel die (met de andere handwerkers) de bovenlaag vrijmaakte om een burgerlijke en intellectuele beschaving te bouwen.[3]
Voor zover deze slavernij een rechtvaardiging behoefde, werd deze ontleend aan het bij de Grieken dominante ethisch naturalisme. Reeds Heraclitus rechtvaardigde slavernij met een beroep op de natuurlijke ongelijkheid: “Oorlog is de vader van alles en de koning van allen: (…) sommigen heeft hij vrij gemaakt en anderen slaaf.”[4]
In de Hegeliaanse filosofie van de geschiedenis vormt slavernij het noodzakelijke begin van de menselijke beschavingsgeschiedenis. Een zelfbewustzijn, temidden van anderen, wil aanvankelijk zichzelf bevestigen door het vernietigen van het andere zelfbewustzijn. Slechts wie zijn eigen leven durft te riskeren in deze strijd op leven en dood is vrij: “En het is alleen het op het spel zetten van het leven, waardoor de vrijheid bestaat(…)”.[5] Juist door de erkenning van zichzelf boven het lijfsbehoud te stellen, zet hij een eerste stap in Kants ethische – bovennatuurlijke – rijk der vrijheid. De eerste vrede ontstaat dus niet door middel van een sociaal contract, maar doordat de een de ander onderwerpt. De slaaf is degene die zich laat onderwerpen (en in zijn keuze voor het leven boven de vrijheid in wezen het dierzijn niet ontstijgt), de meester is degene die een vrij en waarachtig persoon is. Vanaf de 6de eeuw vC was bij de Grieken het slaafzijn synoniem met lafheid en niet te verkiezen boven de dood.[6] Daarom kon Plato ook beweren dat het bewijs van het natuurlijke slaafzijn van slaven reeds gelegen ligt in het feit dat zij het slaafzijn hebben verkozen boven de dood (zelfmoord).[7] Arendt benadrukt dat in de Griekse polarisatie tussen de slaaf en de vrije burger de lafheid van de slaaf gecontrasteerd werd met de moed van de vrije burger: moed werd de primaire politieke deugd. De slaven ontbrak het aan de vereiste moed om het burgerschap te verdienen. Het (economische) huishouden van de familie, inclusief de slaaf-meesterrelatie, was het domein van natuurlijke machtsverhoudingen gericht op de levensnoodzakelijkheden; het politieke domein van de burger was het domein van vrijheid en moed en daarmee geheel andersoortig.[8]
In het algemeen werden de slaven bij de oude Grieken goed behandeld. Afgezien van de slaven die in de zilvermijnen bij Laureion werkten, hadden in Athene de slaven zelfs zoveel rechten of vrijheden en waren de burgers tegelijkertijd zo arm dat de Spartanen smalend zeiden dat je in Athene geen onderscheid kon maken tussen burgers en slaven.[9] Maar dit mogelijk geringe uiterlijke verschil deed niet af aan het wezenlijke verschil dat daaronder zat: de waardigheid en de vrijheid van de burger die het goede leven en het (zichtbare) geluk mogelijk maakten werden veel hoger gewaardeerd dan de mogelijke veiligheid, gegunde vrijheden en de feitelijke geluksgevoelens van de laffe, gedegradeerde slaaf wiens leven slechts gegund werd ten behoeve van de levensnoodzakelijkheden om zo het hogere politieke leven van de burger mogelijk te maken.

2. Aristoteles over slavernij

Zoals gewoon bij Aristoteles conformeerde hij zich min of meer aan de zeden en opvattingen van de Atheense stadstaat, maar in zijn rechtvaardiging van slavernij vallen elementen op die een bijzonder licht werpen op de kwestie van slavernij en Aristoteles’ opvatting daarover. Met name maakt Aristoteles een scherp onderscheid tussen slavernij bij conventie en slavernij van nature.[10] Terwijl slavernij – zeker ook bij de Grieken − altijd is opgevat en gerechtvaardigd als oorlogsbuit, wijst Aristoteles deze “slavernij bij conventie” af: weliswaar kan het zo zijn dat de (over)macht van de overwinnaar diens (natuurlijke) uitmuntendheid impliceert maar dit rechtvaardigt nog niet de slavernij bij conventie in het algemeen. Aristoteles wijst daartoe op nobele mensen die de pech kunnen hebben gehad dat ze als kind van als slaaf verhandelde krijgsgevangenen zijn geboren, hetgeen niets kan af doen aan hun nobelzijn[11] : Aristoteles benadrukt dat uiteindelijk de rechtvaardiging van slavernij in elk geval berust op de natuurlijke vorm van slavernij: “from the hour of their birth, some are marked out for subjection, others for rule”.[12] En dit is geen kwestie van het noodlot, maar van karakter.[13] In zekere zin blijft een meester altijd een meester en een slaaf altijd een slaaf: wanneer deze natuurlijke posities door conventie en geweld worden omgekeerd is er sprake van machtsmisbruik en worden alle partijen geschaad.[14] Aristoteles vat daarbij de (natuurlijke) slaaf-meesterrelatie op als de noodzakelijke samenwerking en (daardoor) de natuurlijke harmonie tussen het rationele element (de meester) en het irrationele of lichamelijke element (de slaaf) om een gemeenschappelijk doel te bereiken.[15] Hij benadrukt zelfs dat de slaaf en de meester elkaars vrienden zijn.[16]
Reeds in Aristoteles’ tijd hadden sommige Grieken expliciet de slavernij afgewezen en het standpunt gehuldigd dat elk mens van nature vrij is.[17] Dat Aristoteles bewust de slavernij verdedigde op grond van de natuurlijke ongelijkheid van mensen heeft wellicht ook te maken met de invloed van Plato die in zijn ideale staat ook verschillende klassen had onderscheiden op grond van verschillende functies in de samenleving met daarbij een psychologie en ethiek waarbij de rede over de passies dient te heersen en dit alles in onderlinge harmonie. Maar in tegenstelling tot Plato maakte Aristoteles een scherp onderscheid tussen het huishouden (waartoe de slaven behoorden) en het politieke: slavernij was vooral nodig om de hogere politieke, publieke sfeer met vrije en gelijke burgers te kunnen realiseren.[18]
Aristoteles lijkt de slavernij enigszins te plaatsen in het kader van een natuurlijke arbeidsverdeling tussen zij die leidinggeven en zij die uitvoeren zoals die voortvloeit uit de ongelijke kwaliteiten en bekwaamheden van mensen en die ook in ons arbeidsproces nog aanwezig is.[19] Inderdaad zag Aristoteles weinig verschil tussen een slaaf en een gewone loonarbeider: “The necessary people are either slaves who minister to the wants of individuals, or mechanics and labourers who are the servants of the community.”[20] . Dit is echter geen opwaardering van de slaaf maar veeleer een degradatie van de betaalde werkman die zelfs slechts in zoverre voortreffelijkheid kan verwerven voor zover hij een slaaf wordt.[21] Hierbij moet in het oog worden gehouden dat geproduceerde goederen in de Griekse maatschappij nog primair een gebruikswaarde hadden en de producent slechts een middel was tot de afnemer als doel: alleen al daarom zijn de praxis van de burger en de theôria van de wijze die geen hoger doel buiten zichzelf hebben, verheven boven de handwerker en zijn technê als ondergeschikt aan de gebruiker[22] . Het gaat er bij Aristoteles vooral om dat zowel de slaaf als de loonwerker slechts in dienst staan van de levensnoodzakelijkheden van het huishouden: de zelfverwerkelijking van de mens en daarmee het goede leven vindt daarentegen plaats in het bovenhuishoudelijke domein van de politiek en de filosofie.[23] Onafhankelijkheid en vrije tijd werden – niet alleen door Aristoteles − zeer hoog gewaardeerd.[24]
Ook Marx zag later weinig verschil tussen de positie van de slaaf en die van de moderne loonarbeider: zo benadrukte hij onder meer de ontmenselijking van de arbeider die door de kapitalist wordt geëxploiteerd.[25] De slaven in de Romeinse Republiek werden bij wet erkend als sociale klasse en vormden zo in zekere zin het eerste proletariaat. De moderne arbeider is echter geen bezit van de kapitalist (dat voor de kapitalist overigens een voordeel kan zijn omdat een slaaf in slappe tijden niet kan worden ontslaan maar wel moet worden gevoed) en de door Marx beschreven klassenstrijd is als zodanig tegengesteld aan Aristoteles’ beschrijving van de natuurlijke slavernij als vriendschappelijke, natuurlijke eenheid (met de slaaf als een deel van de meester) die op een gemeenschappelijk doel is gericht.[26]

3. De stoïcijnen en het Romeinse Rijk

Door de wereldrijken van Alexander de Grote en de Romeinen, verdwenen de stadstaat en de politiek actieve burger waardoor men zich meer op het individu en de ethiek ging richten. Al vanaf het begin van de Griekse beschaving stonden de Grieken daarbij als maritieme cultuur in contact met andere culturen, waardoor de eigen cultuur niet vanzelfsprekend was. Socrates had naam gemaakt door zich niet zonder meer te conformeren aan de Atheense zeden en opvattingen, maar de ethiek zelfstandig en rationeel te willen funderen. Reeds in de 4de eeuw vC noemde de cynicus Diogenes zichzelf ‘wereldburger’. Door de Griekse nadruk op de rede en het naturalisme leidde dit tot het stoïcijnse ethische concept van de wereldburger die volgens de natuur/rede leeft. De gemeenschap waarin je toevallig bent geboren en die berust op willekeurige, lokale tradities is ondergeschikt aan de kosmische gemeenschap van de universele rede.[27] Zowel de stoïcijnen als de eerste christenen leerden een universele gelijkheid der mensen en een naastenliefde die alle volkeren en standen, waaronder de slaven, omvatte zonder ooit (expliciet) de slavernij af te wijzen.[28] Dit werd gerechtvaardigd door te benadrukken dat uitwendige zaken er niet toe doen: het gaat slechts om de innerlijke, geestelijke wereld (de ziel) en daarin verschilt de slaaf niet van de anderen.[29] Wel pleitten de stoïcijnen en christenen voor een goede behandeling van de slaven: de stoïcijnen vanuit de natuurlijke affiniteit jegens uiteindelijk alle rationele wezens, de christenen vanuit het bovennatuurlijke gebod tot naastenliefde ten aanzien van alle kinderen van God. Mogelijk volgt de filosofie hier in zekere zin ook de economische en politieke ontwikkelingen, nu de economische waarde en politieke status van slaven als gevolg van de Pax Romana en Augustus’ beleid flink waren gestegen.[30] Met name het stoïcijnse standpunt is gevoelig voor ‘politiek correcte’ tendensen (in de zin van het ontkennen of niet onderzoeken van de werkelijkheid omwille van een gewenste, dogmatisch-ideologische voorstelling van zaken) en is aanvechtbaar, bijvoorbeeld wanneer het stelt dat de mensen van nature gelijk zijn, dat de superioriteit van de eigen cultuur een vooroordeel is en dat iedereen met elkaar verbonden is. Terecht legt Nussbaum een verband met de moderne tijd[31] , want – al dan niet via het christendom – is de invloed van het stoïcisme groot en heeft het kosmopolitische standpunt een dominante stem in de huidige discussie over de multiculturele samenleving als gevolg van de globalisering. Maar ook in onze tijd is die stem die met name lijkt te pleiten voor begrip en respect voor andere culturen vooral moralistisch, dogmatisch-ideologisch en optimistisch, hetgeen ethisch en politiek naïef kan zijn wanneer men begrip verwart met goedkeuring en ethiek met politiek. Oude vooroordelen worden dan slechts met nieuwe vooroordelen bestreden. Ook lijkt in de praktijk de haat van hedendaagse kosmopolieten jegens andersdenkenden niet kleiner dan de haat van die andersdenkenden jegens vreemde culturen, zodat ook het kosmopolitisme de apatheia van de ziel en de wereldvrede niet dichterbij lijkt te brengen.[32] Zo lijkt een stoïcijns kosmopolitisme gemakkelijk nieuwe vooroordelen en wrijvingen te creëren in plaats van oude op te ruimen. Boven alles zou de stoïcijnse kosmopoliet er daarom voor moeten waken om niet in een ethisch cultuurrelativisme of zelfs omgekeerd racisme te vervallen: indien mensen gelijk zijn in de zin dat er een universeel menselijk wezen of natuur is, dan is daarmee nog niet gezegd dat alle culturen – die bestaan uit conventies – gelijkwaardig zijn. Een echte kosmopoliet benadrukt het gemeenschappelijke van alle mensen, transcendeert het culturele en verwerpt daarom het multiculturalisme.

4. Slavernij en de christelijke middeleeuwen

Als verlossingsreligie sprak het christendom in eerste instantie vooral mensen uit de onderste lagen van de bevolking aan en was het als religie van het plebs sterk gericht op gelijkheid en vrijheid van alle mensen. Zij werd echter geconfronteerd met een dominante Grieks-Romeinse traditie die de slavernij rechtvaardigde op grond van een ethisch naturalisme.[33] De religie gaf daar weliswaar een praktisch antwoord op in de vorm van een ascetische wereldverzaking en een gerichtheid op het bovennatuurlijke en het leven in het hiernamaals[34] , maar een denker als Augustinus die de christelijke verlossingsleer een alomvattende, filosofische basis verschafte moest een rechtvaardiging voor het hier en nu van de slavernij vinden. Het Bijbelse gegeven van de zondeval bood uitkomst: in het tijdelijke leven is het rechtvaardig dat de mens als gevolg van zijn zonde wordt gestraft door middel van slavernij, maar een deugdzame, vrome slaaf zal z’n vrijheid en gelijkheid – zoals hij die krachtens z’n oorspronkelijke door God geschapen natuur bezit – in het eeuwige leven herwinnen.[35] Ook Aquino vatte slavernij op als straf en een gevolg van de zondeval en hij contrasteerde deze met de natuurlijke ongelijkheden in de volmaakte onschuldige toestand van voor de zondeval die de rechtvaardige politieke relaties bepalen.[36]
Aquino’s rechtvaardige staat als natuurlijke vervolmaking van het tijdelijke leven is geïnspireerd op Aristoteles, maar Arendt benadrukt de christelijke middeleeuwen als een politieke transitie van het publieke naar het private: het wereldse werd geheel het domein van het huishoudelijke (reeds de Romeinse keizers waren zich dominus, ‘heer des huizes’, gaan noemen) en Aristoteles’ publieke, politieke sfeer van de vrijheid en het geluk werd getranscendeerd naar het religieuze.[37] Het concept van ‘het gemeenschappelijk goede’ was slechts de erkenning van het algemene belang in de privésfeer in plaats van Aristoteles’ sfeer van de zelfverwerkelijking van het individu die nu nog slechts in het eeuwige leven kon worden gerealiseerd. De mens was van politiek dier tot sociaal dier geworden. Mede onder invloed van Aristoteles en de opkomst van natiestaten ontwikkelde zich vanaf de 13de eeuw weliswaar het concept van een autonome wereldse macht die zich emancipeerde van de spirituele macht, maar de middeleeuwse (en vroegmoderne) denkers bleven die wereldse macht in het teken van dit algemene belang plaatsen met daarbij een opvallende neoplatoonse gerichtheid op eenheid (vrede) als middel om dat te bereiken. Zelfs bij Van Padua, die reeds het concept van democratie ontwikkelde als soevereiniteit van het volk (dus met de macht van onderen), rechtvaardigde dit concept om louter praktische redenen vanwege zijn verlangen naar vrede en optimalisering van het algemene belang, zodat de christelijke context ook bij hem (nog) niet tot een veroordeling van de slavernij leidde.[38]

5. De moderne tijd (en verder)

In de Hegeliaanse interpretatie van de geschiedenis[39] moest de meester-slaafrelatie worden overwonnen omdat deze geen volle realisering van het zelfbewustzijn leverde. De stoïcijnen overwonnen haar in abstracte zin door zich terug te trekken in een innerlijke gedachtewereld waarmee echter slechts de idee van vrijheid werd bereikt.[40] Dit werd expliciet in de abstracte vrijheid van de scepticus die daarmee een gespleten bewustzijn toont door in de theorie te ontkennen wat hij in de praktijk bevestigt. Deze tegenstrijdigheid werd geëxpliciteerd in het “ongelukkige bewustzijn” van de christelijke middeleeuwen met de leer van het wereldse versus het geestelijke. Daarbij was God de meester en wij Zijn slaven. Pas laat in de moderne tijd heeft zich uitdrukkelijk het concept van de rationalisering van de vrijheid ontwikkeld in de zin van een wederzijdse, onderlinge erkenning van mensen die zowel heersen als gehoorzamen, waarmee de slaaf-meesterrelatie materieel kon worden opgeheven.[41] Met name Nietzsche heeft zich gekeerd tegen deze in de idee van de gelijkheid der mensen gefundeerde “slavenopstand in de moraal” die fundamenteel voor de joods-christelijke cultuur zou zijn.[42] Ten heden dage is de toekomst van de hier geschetste ontwikkeling nog even onzeker als toen Hegel en Nietzsche hun interpretatie ervan opschreven: zal de Kantiaans-Hegeliaanse rationalisering van de vrijheid en erkenning tot een “einde der geschiedenis” leiden of zal een nieuw tijdperk ontstaan waarin deze moderne ideeën worden verworpen of getranscendeerd?[43]
Het hier gepresenteerde cultuurrelativistisch standpunt laat overigens onverlet dat een bepaalde mate van continuïteit kan bestaan of dat het optreden van opvattingen of elementen op een of andere wijze cyclisch kunnen terugkeren: mogelijk dicteert bijvoorbeeld simpelweg de economie onze opvattingen over de waarde van een mensenleven en onze verhouding jegens elkaar.[44]

Conclusie

Het voorgaande toont mijns inziens dat de cultuurrelativistische interpretatie van de ontwikkeling tot de moderne idee van universele vrijheid en gelijkheid een overtuigende interpretatie is. Deze interpretatie impliceert dat wij evengoed gevangen zitten in ons deel van de geschiedenis als Aristoteles of Aquino dat waren. De inductieve methode van Aristoteles bestond uit waarneming en intuïtie. De Rijk kan stellen dat Aristoteles’ empirische, open-kritische methode deugt maar dat zijn intuïtieve focus er soms naast zat, maar ik betwijfel of De Rijks moderne intuïtie Aristoteles zou hebben kunnen overtuigen. Zoals De Rijk de nominalisten citeert, is ons denken (ons focaliseren) bepalend voor onze opvatting van de werkelijkheid.[45] En dat geldt ook voor de filosofische vraag of mensen van nature gelijk of ongelijk zijn en of de een over de ander zou moeten heersen. Deze vraag raakt fundamentele kwesties op het gebied van wijsgerige ethiek en antropologie waarover geen consensus of zekerheid bestaan: de gelijkheid van alle mensen is voor ons modernen bovenal een cultureel bepaald moreel uitgangspunt. Wellicht zou Aristoteles, net als Nietzsche, ons modern standpunt als typische ‘slavenmoraal’ afwijzen: hij noemde de barbaren immers reeds “een gemeenschap van slaven” die daarom moeite hebben met het maken van onderscheid.[46]

Eindnoten:
[1] De Rijk: De methode Aristoteles.
[2] Zie De Ley’s Inleiding bij Aristoteles’ Metaphysica A, p 29. Arendt benadert in The human condition, pp32-33, het van de andere kant: door het ontstaan van de (democratische) stadstaat is er een burgerlijke vrijheid (want gelijkheid) ontstaan die contrasteert met de natuurlijke machtsverhoudingen in het familieleven.
[3] De rol van de slaven hierin moet echter niet worden overschat. Onder meer De Ley in bovengenoemde Inleiding en Raymer in Slavery-The Graeco-Roman defence stellen dat de slavernij het sociaal-economische fundament vormde voor de politieke en intellectuele bovenlaag, maar onder meer Kitto: De Griekse beschaving, pp111-115, en Grant: The Classical Greeks, p.286, relativeren dit beeld en stellen dat de slaven een beperkte bijdrage aan de economie leverden en het werk van de vrijen niet wezenlijk uit handen namen.
[4]Fragment 49.
[5]Hegel: Fenomenologie van de geest, p86. Dit verlangen naar erkenning (of “verlangen van het verlangen”) waar Hegel hier over spreekt, moet te maken hebben met wat Plato het vurige deel (thumoeides) van de ziel noemde.
[6] Zie Arendt: The human condition, p36, waar zij in een noot uit een artikel van Schlaifer citeert.
[7] Zie Plato: Politeia, 386A.
[8] Zie Arendt: The human condition, p36-37.
[9] Zie Kitto: De Griekse beschaving, p112. Toch zullen ook de slaven in Athene min of meer de vier vrijheden hebben ontbeerd die volgens Hare in What is wrong with slavery?, p105-106, de status van de slaaf definieerden: burgerschap, bescherming tegen geweld (ofschoon Athene op een gegeven moment het slaan van slaven verbood), het recht te gaan waar men wil en het recht om te werken zoals men wil.
[10] Zie Aristoteles: Politica, 1255a5
[11] Zie Politica, 1255a25-30.
[12] Politica, 1254a20-25.
[13] Zie Politica, 1255b20-25. Hiermee lijkt Aristoteles aan te sluiten bij de reeds beschreven Griekse conventie die de laffe slaaf tegenover de moedige burger plaatst.
[14] Zie Politica, 1255b5-15.
[15] Zie Politica, 1252a30-1252b1. Zie ook Politica 1254a34-1254b9 waar Aristoteles de (despotische) heerschappij van de meester over de slaaf vergelijkt met die van de ziel over het lichaam, en zie ook Politica 1254b21-23 waar Aristoteles de slaaf definieert als hij die wel begrijpt maar niet zelf over rede beschikt (zie ook Politica, 1260a12-13).
[16] Zie Politica, 1255b10-15.
[17] Bijvoorbeeld de sofist Alcidamas. Ook de Griekse tragedies presenteerden alternatieven: zie MacIntyre: A short history of Ethics, p.83. Aristoteles kende deze opvattingen, waarbij hij mensen als Alcidamas tegemoet trad door de (door geweld opgelegde) slavernij bij conventie af te wijzen: zie Politica 1254a15-1255a5.
[18] Het aantonen van dit onderscheid, met aan de ene kant het huishoudelijke met de despotische en koninklijke heersersvorm en aan de andere kant het politieke van de staat met de constitutionele regeringsvorm, lijkt de belangrijkste opzet van de Politica: zie Politica, 1252a1-25 en 1255b15-25.
[19] Zie met name Politica, 1255b20-35.
[20] Politica, 1278a10-15
[21] Zie Poltica, 1260a40-1260b5.
[22] Zie De Ley’s Inleiding bij Aristoteles’ Metaphysica A, p33.
[23] Zie Politica, 1255b35-40.
[24] Zie Politica, 1337b. Zie ook Kitto: De Griekse beschaving, p114, en Grant: The classical Greeks, p.286.
[25] Vergelijk de passage in Politica, 1253b23-1254a20, waar de slaaf als een levend werktuig wordt beschreven.
[26] De vijandschap tussen uitbuiter en uitgebuitene lijkt daarentegen op de slavernij bij conventie: zie Politica, 1255b10-15.
[27] Zie ook Nussbaum: Cultivating humanity, chapter two.
[28] Zie bij voorbeeld Raymer: Slavery-The Graeco-Roman defence, p20-21.
[29] Dat ook het christendom een dergelijk concept hanteert, blijkt uit onder meer Romeinen 8:1:17, waar Paulus betoogt dat wie in Christus is, niet naar het vlees maar naar de Geest leeft.
[30] Zie Raymer: Slavery-The Graeco-Roman defence, p20-21.
[31] In Nussbaum: Cultivating humanity, chapter two.
[32] Deze onverdraagzaamheid houdt waarschijnlijk verband met een zekere marxistische achtergrond van de hedendaagse ‘politieke correctheid’. In de oudheid weerhield zijn stoïcijnse empathie voor anderen keizer Aurelius er niet van de vervolging van christenen te rechtvaardigen omdat zij de Romeinse zeden bedreigden, hetgeen hedendaagse kosmopolieten van weinig respect voor andere culturen zullen vinden getuigen.
[33] Met name de Aristotelische argumenten bleven daarbij dominant, onder meer bij Cicero’s rechtvaardiging van de slavernij: zie Raymer: Slavery-The Graeco-Roman defence, p18-19.
[34] In bijvoorbeeld Johannes 16:33 zegt Jezus: ‘Ik heb de wereld overwonnen’. De christen wil niet alleen het dierzijn overstijgen zoals de Griek maar het gehele natuurlijke menszijn überhaupt: zie ook Ullmann: A history of political thought: The middle ages, pp164-167.
[35] Zie Augustinus: De stad van God, XIX 15.
[36] Zie Aquino: Summa Theologica, pp52-53.
[37] Zie Arendt: The human condition, p33-35.
[38] Zie Van Padua: The defender of the peace, p476, waarin de slaven uitdrukkelijk van de burgers worden onderscheiden. Zijn voorkeur voor de Aristotelische stadstaat contra de christelijke, universele aanspraken kan een rol hebben gespeeld in zijn impliciete verdediging van de slavernij. Zijn theorie is een voorbode van de moderne natiestaat. Zie ook Copleston: A history of medieval philosophy, p308-313.
[39] Zie voor het navolgende Hegel: Fenomenologie van de geest, Hoofdstuk ‘Vrijheid van het zelfbewustzijn’.
[40] Zie ook Berlin: Twee concepten van vrijheid, deel III: The retraite in de innerlijke citadel, waarin Berlin deze terugtrekking verklaart door het menselijke verlangen naar positieve vrijheid als autonomie of zelfbestuur. Volgens Hegel kon het stoïcijnse standpunt slechts ontstaan in een cultuur van algemene angst en dienstbaarheid gekoppeld aan hoge beschaving.
[41] it komt overeen met Aristoteles’ beschrijving van de deugden van de burger (zie Politica 1277b10-20), die nu vanwege de christelijke voorgeschiedenis en context een universelere vorm krijgt. De Franse revolutie van 1789 kan gelden als de belangrijkste manifestatie of materialisatie van de filosofische ideeën van vrijheid als zelfverwerkelijking en de gelijkheid van alle mensen die onder meer door Rousseau en Kant zijn uitgewerkt (met als uiterste consequentie ‘de moord op God’ als eliminatie van de ultieme meester door de meest radicale Verlichtingsdenkers).
[42] Zie met name Nietzsche: Genealogie der moraal, eerste essay: ‘Goed en kwaad’, ‘goed en slecht’.
[43] Zie over deze kwestie bijvoorbeeld Fukuyama: Het einde der geschiedenis, waarin Fukuyama zich in de traditie van Hegel-interpretatoren plaatst en tracht aan te tonen dat met de rationaliseringen van (economisch) verlangen en (politieke) vrijheid/erkenning (die overeenstemmen met de Platoonse zielsdelen epithumêtikon en thumoeides) in kapitalisme en democratie het einde van de natuurlijke ontwikkeling van de maatschappij wordt bereikt omdat die de menselijke verlangens optimaal zouden bevredigen. Nietzsche – en De Tocqueville is in zeker opzicht zijn voorloper − betoogde daarentegen dat de moderne gelijkheidscultuur de volle ontplooiing van de menselijke potentialiteit in de weg staat en de mens reduceert tot kuddedier of mens “zonder borst”.
[44] Een dergelijk marxistisch standpunt wordt onder meer verdedigd door De Ley in zijn Inleiding bij Aristoteles’ Metaphysica A, p28 e.v., en Raymer stelt in Slavery-The Graeco-Roman defence dat de Industriële Revolutie, de slavernij en de uitbuiting alsmede de daarop gevolgde democratische gedachte in de moderne tijd een herhaling vormt van de opkomst en rechtvaardiging van slavernij alsmede de daarop gevolgde humanitas in de oudheid, waarbij die slavernij en uitbuiting werd gedicteerd door de economische eisen van die betreffende tijdvakken. Een beroemd voorbeeld van een cyclische interpretatie van de (algehele) beschavingsgeschiedenis is Spengler: Der Untergang des Abendlandes.
[45] De Rijk: De methode Aristoteles.
[46] Zie Politica, 1252b5-10.

1 December 2007
By on 18:10
De crisis van Europa

Een door de visie van Fukuyama ten aanzien van de ontwikkeling van maatschappijen geïnspireerd essay over de globalisering en de botsing van historische stadia

Inleiding

In een eerder artikel heb ik geschreven over de weinig adequate en effectieve manier waarop de – met name linkse – gevestigde politieke partijen (telkens) reageren op Wilders en diens politiek optreden: telkens als Wilders iets roept steigert men weliswaar in morele verontwaardiging maar staat men inhoudelijk met de mond vol tanden wegens een onthullend gebrek aan argumenten en toekomstvisie. Door deze inhoudelijke en intellectuele leegte komt men in het debat telkens niet verder dan inhouds -en machteloze scheldpartijen, waarbij Wilders steevast simpelweg als een gevaarlijke fascist en populist wordt neergezet, welke inhoudelijk op geen enkele manier zijn onderbouwd en die slechts als doel hebben om de inhoudelijke discussie (die men immers nooit kan winnen) te kunnen beëindigen of te ontwijken. Ik heb betoogd dat de burger en de democratie beter verdienen.

Nog altijd lijkt er bij de gevestigde politiek en de politieke commentatoren in Nederland weinig besef te bestaan wat er maatschappelijk gaande is. Er blijkt geen enkel begrip van de fase waarin de wereld en Europa zich bevinden van waaruit een politieke visie en inhoudelijke argumenten kunnen worden ontwikkeld. Daarentegen laten uitlatingen van bijvoorbeeld Vogelaar en het gedrag van Bos zien dat men de weg juist helemaal kwijt is (dat geldt voor alle partijen, maar bij de PvdA is de verwarring, de intellectuele leegte en het op structurele wijze maken van de verkeerde keuzes zo buitenproportioneel dat het zelfs binnen die partij tot een crisis lijkt te zijn gekomen). In dit artikel wil ik proberen om enig licht in de duisternis te brengen. Daarin zal ik betogen dat Wilders in zekere zin inderdaad een fascist kan worden genoemd, maar deze stelling zal ik plaatsen in een visie over de ontwikkeling van de maatschappij en dat zodoende hopelijk stof kan leveren voor een inhoudelijke discussie over de toekomst van Nederland.

1. De ontwikkeling van de maatschappij

Kant opperde het idee dat er een filosofie van de geschiedenis zou moeten worden geschreven waarmee de ontwikkeling van de samenleving kan worden beschreven en verklaard door de wetten van die ontwikkeling bloot te leggen. Hegel heeft deze taak ter harte genomen en hem op grootse wijze uitgevoerd. Later hebben met name Marx in de 19de eeuw en Kojève in de 20ste eeuw het verhaal van Hegel op eigen wijze geïnterpreteerd en/of herschreven. In het boek “The End of History and the Last Man” uit 1992 als vervolg op zijn veelbesproken artikel uit 1989 heeft Fukuyama zich in diezelfde traditie geplaatst en – daarbij onder meer steunend op het werk van de genoemde voorgangers alsmede de feitelijke ontwikkelingen in de wereld na WO II – betoogd dat het einde van de geschiedenis met de huidige liberale democratie is bereikt. Wat volgt is een korte schets van de ontwikkeling van de samenleving zoals die met name door Fukuyama wordt beschreven.

Net als Plato is Fukuyama van mening dat politieke staatsvormen moeten worden begrepen als pogingen om de mens als mens te bevredigen. Het succes van een door de politiek georganiseerde samenlevingsvorm hangt dan ook af van de vraag in hoeverre zij de mens volkomen bevredigt. Om die vraag te kunnen beantwoorden, is het van belang te weten wat het wezen van de mens is. Plato concludeerde in zijn onderzoek daarnaar tot drie wezenlijk verschillende delen van de menselijke ziel: logiston (de rede), thymos (de bezieling, de wil, de trots) en epithymia (het verlangen, de natuurlijke behoeften die op zelfbehoud zijn gericht). De ideale staatsvorm is dus die organisatie van de samenleving die deze drie delen optimaal bevredigt hetgeen volgens Plato kan worden bereikt door ze in harmonie te brengen onder leiding van de rede (daarbij worden de drie respectievelijke delen in de samenleving belichaamd door respectievelijk de filosoof-koning, de wachters en het volk). Voor Plato fungeerde dit ideaal als norm waarnaar bestaande samenlevingsvormen kunnen worden beoordeeld. De meer realistische Aristoteles geloofde in een eeuwige cyclus van staatsvormen omdat geen enkele blijvend bevredigend zou zijn.

Fukuyama neemt het model van Plato over en benadrukt daarbij de rol van de thymos. Fukuyama bekritiseert daarbij de Angelsaksische politiek-filosofische traditie omdat deze in meer of mindere mate de mens wil reduceren tot louter verlangen en rede in de vorm van rationeel verlangen zoals door de economie beschreven. Weliswaar benadrukt bijvoorbeeld Hobbes dat de mens in zijn natuurstaat met name thymotisch is, dat leidt tot een “oorlog van allen tegen allen”, maar zijn oplossing behelst een impliciet contract waarbij de mensen hun macht en thymotische hartstochten vrijwillig afstaan aan de vorst (“Leviathan” als de koning der hoogmoedigen) teneinde vrede en beschaving te kunnen bewerkstelligen. Trots en woede dienen te worden ingeruild voor een rationeel verlangen naar zelfbehoud. Met name sinds Locke heeft dit in de Angelsaksische cultuur geleid tot de homo economicus, de mens die niets anders meer is dan zijn rationeel verlangen tot zelfbehoud en daartoe een bijna vegeterend leven van primair produceren en consumeren leidt. Dit is de mens als ‘rationeel dier’ (dat begrip is overigens ontleend aan een onzorgvuldige vertaling van Aristoteles’ zoön logon echon, maar Aristoteles dichtte de mens juist als zoön politikon – ‘politiek dier’, niet ‘sociaal dier’- uitdrukkelijk vrijheid toe omdat de mens in de ethische zelfverwerkelijking van het politieke leven de natuurlijke noodzaak en afhankelijkheid van het economische leven ontstijgt: de mens ontstaat ten behoeve van het leven, maar bestaat ten behoeve van het goede leven). Het is Nietzsches “laatste mens”. De politiek is daarbij verworden tot (wetenschappelijk) instrument om het verlangen naar veiligheid en de bevrediging van economische behoeften te garanderen en optimaliseren (zoals reeds door de grondleggers van de moderne politieke theorie Machiavelli, Hobbes en Morus uitgewerkt).

Deze typisch moderne filosofie en daarop gebaseerde politiek doen de mens en zijn geschiedenis echter tekort. Niet alleen verhult de homo economicus zijn thymotische kant en drijfveren zoals de protestantse, thymotische grondslag van het kapitalisme (succes en rijkdom door arbeid is belangrijk niet ten behoeve van eigen consumptie en zelfbehoud maar als manifestatie van Gods genade dus als individuele erkenning van uitverkorenheid), maar de geschiedenis is wezenlijk een verhaal van de thymos, zoals die volgens Fukuyama door Hegel is beschreven. In dit verhaal doet de mens geen afstand van zijn thymotisch willen, maar levert hij juist een zware en veelal bloedige strijd om zijn thymos bevredigd te zien: Hegel noemde dit ‘het verlangen van het verlangen’ omdat het hier uiteindelijk gaat om het verlangen naar de erkenning en waardering door – dus het verlangen van – de medemens. Door middel van dit thymotisch verlangen ontstijgt de mens zijn natuurlijk dierzijn: dit verlangen is immers niet gericht op materiële behoeftenbevrediging of andersoortig overleven en bovendien ontwikkelt de mens pas zelfbewustzijn en identiteit die hem tot een individu en een persoon maken doordat de mens op deze wijze zichzelf door de ogen van de ander bekijkt. De typisch menselijke wil en autonomie verheft de mens boven zijn door de natuurwetten gedetermineerde natuur en brengt hem in een rijk der vrijheid, zoals Kant leerde. In tegenstelling tot de Angelsaksische traditie, waarin de mens als ‘rationeel dier’ hooguit een schijnvrijheid kan genieten die – als een steen die van een berg afrolt – bestaat uit het zonder belemmeringen kunnen doen waar je zin in hebt dus het onbelemmerd kunnen bevredigen van je natuurlijk-dierlijke behoeften (de mens als “slaaf van zijn passies”), is vrijheid bij Hegel reëel.

Bij Kant richt de wil zich naar de redelijke voorstellingen van wetten indien de mens moreel handelt, hetgeen niet persé een gedraging hoeft te zijn dat tegen de natuurlijke neigingen indruist maar dat wel pas als echt moreel en dus vrij kan worden herkend wanneer het strijdig is met de natuurlijk-dierlijke neigingen (voor zover dergelijk gedrag mogelijk is – een vraag die Kant uitdrukkelijk open liet). In Hegels verhaal van de geschiedenis der mensheid manifesteert deze echte vrijheid zich dan ook het scherpst in het riskeren van je leven voor iets volstrekt abstracts (namelijk erkenning): doordat deze echte vrijheid bovennatuurlijk is, is zij inherent levensgevaarlijk. Juist in het eerste bloedige gevecht om erkenning ontstijgt de mens zijn natuurlijk dierzijn en is het menselijk geworden. Dit gevecht stopt pas wanneer een onderworpen partij weer dier wordt, dat wil zeggen het natuurlijke zelfbehoud boven de dood of erkenning verkiest: dan ontstaat de meester-slaafrelatie tussen mensen.

De beroemde passage over de meester-slaafdialectiek in Hegels “Phänomenologie des Geistes” laat echter zien dat deze situatie voor beide partijen niet bevredigend is, ook niet voor de meester omdat deze nu slechts erkenning van een minderwaardig mens krijgt en hij afhankelijk wordt van de arbeid van de slaaf die hij voor zich laat werken. De slaaf ontwikkelt daarentegen een zekere vrijheid doordat hij door middel van zijn arbeid macht over de natuur en daarmee over het leven verkrijgt (waarbij immers de natuurkrachten worden omgezet in productiekrachten die het leven kunnen beschermen en veraangenamen). Als gevolg van de Grieks-Romeinse periode van slavernij, is het christendom als ultieme slavenreligie ontstaan. Niet alleen was het christendom aanvankelijk de religie van slaven, het leert ook de typische slavenmoraal (met haar omkering van de herenmoraal van goed en slecht naar een moraal van goed en kwaad) zoals vooral door Nietzsche indrukwekkend betoogd. Als religie van slaven leert zij ook de idee van vrijheid: de onmacht van het slaafse bestaan doet filosoferen over concepten, met name die van vrijheid (de meester daarentegen filosofeert niet: voor hem is vrijheid zoals het hele leven een directe ervaring). Deze vrijheid is in het christendom nog slechts een idee, slechts reeds werkelijk geacht in God dat zelf weer een idee is, en een belofte (waar de oude Grieken als meesters geluk en vrijheid in het aardse bestaan leren, belooft het christendom slechts gelukzaligheid en vrijheid in de wederopstanding na de dood). Secularisering van het christelijk geloof in de moderne tijd bracht natuurlijkerwijs een vermaterialisering en daarmee een verwerkelijking op aarde van dit idee van vrijheid teweeg, maar natuurlijk niet voordat de slaven hun dierlijke beteugelende angsten hadden afgeworpen en in een bloedig gevecht met hun meesters (inclusief God als de ultieme dominus) hun vrijheid hadden herwonnen, zoals dat het eerst geschiedde in de 18de eeuw door middel van de revoluties van Engeland, VS en vooral Frankrijk alsmede de opkomst van het atheïsme.

De opstand van het ‘subject’ (zowel filosofisch bij Kant als politiek bij de Franse revolutie) leidde tot een nieuwe staatsvorm: de liberale democratie. Daarbij baseerde de Angelsaksische cultuur de democratie vooral op de – zoals Berlin zou zeggen – negatieve vrijheid en de Continentalen vooral op de positieve vrijheid. Die negatieve vrijheid bevestigt het natuurlijke leven, zodat Locke – in navolging van Hobbes – als het eerste grondrecht het recht op leven (zelfbehoud) formuleerde en daarvan het recht op (negatieve) vrijheid en bezit afleidde. De blauwdruk voor democratie als positieve vrijheid, dat om zelfbeschikking gaat, werd door Rousseau geleverd die een maatschappijvorm voorstelde waarbij een sociaal contract van elke deelnemer zowel (mede-)wetgever als onderdaan maakte en de natuurlijke vrijheid werd getransformeerd naar de burgerlijke vrijheid. Deze democratische staat (al is hij bij Rousseau nog niet echt democratisch in moderne zin) berust op het algemene belang en de wederzijdse, rationele erkenning door burgers onderling door middel van wetten. Geïnspireerd door Rousseau sprak Kant van “het koninkrijk der doeleinden” als de samenleving waarbij elk subject zelf koning èn onderdaan is en elk mens wordt erkend als vrij, autonoom en daarmee absoluut waardevol subject. De reeds in het christendom besloten ideeën van de vrijheid en gelijkheid van alle mensen (want alle mensen zijn voor God gelijkwaardige wezens die moreel dus vrij kunnen handelen) zijn in de liberale democratie politiek geïnstitutionaliseerd. En omdat het christendom een ‘filosofische’ religie is, is de democratie als zijn staatsvorm een uitdrukkelijk door de mens bedachte en geplande maatschappijvorm. In Hegels filosofie is het de dialectische zelfontplooiing van de Wereldgeest die heeft geleid tot de uiteindelijke liberale democratie van de Pruisische staat, waarin de mens zijn ware vrijheid en erkenning vindt als burger van de natiestaat, met de beslissende handelingen van de menselijke individuen daartoe als “de list der rede”. Met name Marx zou later fel ageren tegen het idee dat een maatschappij vanuit een idee wordt geschapen en erop hameren dat een maatschappij op grond van materialistische wetten wordt gevormd en dat de burgerlijke revolutie een slechts ten dele geslaagde revolutie is en dat de ontwikkeling van de huidige liberaal-kapitalistische maatschappij vanwege haar hernieuwde klassenstrijd noodzakelijk zelf een nieuwe revolutie teweegbrengt die eerst dan volstrekte gelijkwaardigheid en echte vrijheid zal bewerkstelligen (in tegenstelling tot de louter ‘formele’ vrijheid en gelijkheid van de burgerlijke samenleving).

Maar Fukuyama betoogt dat ook zonder een communistische revolutie een liberale democratie min of meer synoniem is met een homogene en universalistische staat (dat wil zeggen een staat zonder verschillende dus strijdende klassen en waarbij iedereen aanspraak maakt op dezelfde rechten). Weliswaar dacht Marx daar heel anders over (al zou het interessant zijn om te weten wat Marx van de naoorlogse westerse samenlevingen in de 20ste eeuw zou hebben gevonden waar iedereen min of meer deelt in de welvaart: Kojève heeft – weliswaar niet geheel serieus bedoeld – gezegd dat naoorlogs VS het communistisch paradijs reeds hebben verwerkelijkt), maar in een ander opzicht kan Fukuyama zich met recht een marxist noemen: maatschappelijke veranderingen kun je niet met succes zelf creëren en van de ene dag op de andere implementeren zodra het idee is geboren, want voor een succesvolle implementatie moeten bepaalde materiële en moeizaam verworven condities zijn vervuld.
Allereerst vereist een succesvolle democratie een natiestaat die reeds min of meer homogeen en universalistisch is, zodat zonder de vervulling van deze voorwaarden pogingen tot democratie gedoemd zijn te stranden in burgeroorlogen (bijvoorbeeld Irak), afscheidingen (bijvoorbeeld de Sovjet-Unie) of mercantilistische systemen (bijvoorbeeld Brazilië). De meest wezenlijke voorwaarde volgens Fukuyama is kapitalisme: economische vrijheid en de welvaart die dat oplevert gaat vooraf aan politieke vrijheid. Fukuyama toont zich een vurig pleitbezorger van het liberaal-kapitalisme: neomarxistische theorieën die stellen dat de Derde Wereld zich beter afzijdig houdt van het spel van de globale kapitalisten omdat de laatkomers op de vrije markt slechts zullen worden uitgebuit door de reeds rijke landen, worden door Fukuyama weggewuifd door te wijzen op het enorme economische succes van de landen in Oost-Azië die zich op de vrije markt hebben gewaagd. In feite hebben zulke laatkomers juist een voordeel omdat zij het wiel niet meer hoeven uit te vinden, maar de grootste successen qua productietechnieken, producten, e.d. van de rijke landen simpelweg kunnen imiteren. Weliswaar vindt er uitbuiting plaats in het kapitalistische systeem, maar door de groei van de welvaart die dat oplevert zal uiteindelijk iedereen materieel profiteren van de vruchten van de arbeid, hetgeen wordt gegarandeerd door de homogenisering die het kapitalisme bewerkstelligt doordat het een proces van verstedelijking, mobiliteit, individualisering en scholing in gang zet waarbij uiteindelijk iedereen min of meer gelijk is, in de stad woont, een baan op kantoor heeft en voor zichzelf dezelfde rechten eist als die anderen hebben waarmee automatisch ook de behoefte aan democratie ontstaat.

Fukuyama betoogt dat wetenschap, en dan met name de technologische toepassing ervan dus de beheersing en exploitatie van de natuur, de motor vormt van de autonome economische ontwikkeling en dat deze ontwikkeling noodzakelijk tot het kapitalisme leidt omdat alleen het kapitalisme in staat is gebleken stijgende welvaart en daarmee – in combinatie met de wetenschappelijke technologie – ook de blijvende succesvolle militaire verdediging van de natiestaat te genereren. Zoals gezegd bestaat de ziel volgens Plato uit drie delen: naast de thymos is er de rede en het (dierlijke) verlangen. De geschiedenis van de ontwikkeling van het verlangen vindt plaats door middel van de rationalisering van dat verlangen in het economische proces dat leidt tot het moderne bureaucratische kapitalisme. Er vindt dus zowel een rationalisering van de thymos als rationalisering van het verlangen plaats dat in beide gevallen tot vrijheid leidt (economische naast politieke vrijheid), maar dat betekent niet dat deze processen altijd parallel moeten lopen (we hebben al gezien dat kapitalisme natuurlijkerwijs aan democratie vooraf gaat zoals dat in de huidige tijd ook in veel Aziatische landen zichtbaar is) en het betekent zeker niet dat deze ontwikkelingen lineair zijn. Men kan proberen de ontwikkeling te versnellen, te vertragen, te stoppen of terug in de tijd te plaatsen, maar men kan de ontwikkeling niet vernietigen: vroeg of laat komt men altijd uit bij de liberaal-kapitalistische democratie, aldus Fukuyama, ook al hoeft die niet overal dezelfde vorm te hebben (zo wijst hij erop dat de Aziatische cultuur niet het westerse individualisme kent zodat de rechten van het individu in de democratieën in Azië mogelijk altijd wat formeel blijven).

Twee typische en belangrijke reacties op de moderne rationalisering van arbeid en erkenning, zoals die heeft geleid tot de moderne burgermaatschappij, zijn de moeite waard te benoemen en kort te duiden: socialisme en fascisme. Beide staatsvormen zijn gekant tegen het liberaal individualisme van de kapitalistische democratie en hebben een utopisch karakter (ook Marx heeft niet kunnen verhinderen dat zelfs zijn anti-utopische variant van het socialisme louter als utopie is geïmplementeerd in de politieke praktijk), maar de richting is tegengesteld: het socialisme probeert door middel van een revolutie en totalitair staatscontrole de burgermaatschappij in z’n geheel te vernietigen om een utopisch communistisch ideaal van de toekomst nu en hier te verwerkelijken, het fascisme probeert door middel een autoritair staatsgezag een utopisch ideaal van het verleden vast te houden (het nationaal-socialisme combineert beide kwaden tot een revolutionaire vernietiging van de gehele moderniteit om een romantisch ideaal van een mythisch verleden te verwezenlijken).
Het is belangrijk op te merken dat beide ideologieën in de praktijk meestal aan het begin van de moderniteit worden toegepast: het socialisme vooral als ideologie van nog maar net industrialiserende landen om in hoog tempo (en veel geweld) de oude feodale samenleving te vernietigen en de natie de moderniteit en toekomst in te sleuren, het fascisme juist als ideologie die op autoritaire wijze de oude, feodale en idyllisch-sociale structuren van onder meer monarchie, kerk, plattelandsleven, familie- en stamverbanden en nationale volkscultuur probeert te behouden in een snel industrialiserende, verstedelijkende, individualiserende en moderniserende samenleving (en die het land wil behoeden voor een communistische revolutie). Fukuyama beschrijft ze dan ook als overgangsstoornissen van de feodale naar de moderne burgerlijke samenleving (waarvan De Tocqueville scherpzinnig opmerkte dat de oude feodale wereld wordt gekenmerkt door mooie maar nutteloze dingen en de nieuwe, moderne wereld wordt gekenmerkt door nuttige maar lelijke dingen).

Even belangrijk is de constatering dat socialisme en fascisme nooit blijvende staatsvormen zijn. Het socialisme kan weliswaar een natie snel het industriële tijdperk inloodsen met in het begin relatief hoge lonen voor de arbeiders, maar zij kan niet concurreren op de postindustriële markt van het hedendaagse informatietijdperk en bovenal ondermijnt de onvermijdelijke morele corruptie en politiek correcte dictatuur als gevolg van het onoverbrugbare verschil tussen de socialistische doctrine en de weerbarstige praktijk uiteindelijk alle draagvlak bij de bevolking voor het regime. Het fascisme kan weliswaar orde handhaven waar chaos en verval dreigt, maar het kan de vooruitgang en democratie niet blijvend tegenhouden, zodat het vrijwillig terugtreedt in zijn mildere vormen, of zij vecht zich dood in imperialistische oorlogen in zijn extremere vormen. Volgens Fukuyama ontzenuwt het falen van eerst de autoritaire fascistische regimes en daarna de socialistische regimes in de 20ste eeuw het in de 20ste eeuw populair geworden ‘postmodern’ relativisme (waarbij de westerse democratie kwetsbaar en relatief leek omdat zij enerzijds zelf het kolonialisme en het nazisme heeft voortgebracht, de wereld in twee gruwelijke wereldoorlogen heeft gestort en anderzijds het socialisme als alternatief moest dulden). Het verdwijnen van het fascisme en socialisme (dat gepaard gaat met een toename van het aantal liberale democratieën in de wereld) betekent een einde van de ideologische strijd, nu de ideologie van het liberalisme de winnaar is gebleken. Dit betekent niet dat staten niet kunnen terugvallen in fascisme of socialisme of dat staten in de Derde Wereld niet nog door een proces van socialisme of fascisme zullen gaan voordat ze liberale democratieën worden, maar in alle gevallen is de liberale democratie het natuurlijke eindpunt van de ontwikkeling omdat de liberale democratie de meest bevredigende staatsvorm is (volgens Kojève is zij zelfs de volstrekt bevredigende samenlevingsvorm). Zelfs bij haar tegenstanders heeft in ieder geval reeds de idee van vrijheid en democratie gezegevierd: zowel socialisme als fascisme plegen zichzelf democratisch te noemen en de burgers echte vrijheid te beloven: zij zijn daarom geen premoderne despotismen waarbij de soevereiniteit geheel bij de vorst ligt en het in feite waardeloze volk slechts dienstbaar aan de machtigen mogen zijn, maar typisch moderne dictaturen waarbij in naam van het volk wordt geregeerd en de burger wordt voorgehouden dat plichtsbesef en collectivisme hem bevrijden van z’n liberale, zelfzuchtige neigingen en hem naar een hoger niveau van vrijheid tillen. Ook het huidige moslimfascisme heeft dezelfde moderne kenmerken. Vrijwel overal ter wereld wordt alleen democratie nog als een legitieme politieke grondslag opgevat, zoals na de val van de Sovjet-Unie ook vrijwel overal alleen nog het kapitalisme als legitieme economische grondslag wordt gezien. Het is dit gebrek aan democratische legitimiteit van zowel het fascisme als socialisme waardoor veel fascisten vrijwillig aftraden en de leiders van de Sovjet-Unie vrijwillig kozen voor hervorming.

Niet alleen lijkt er een einde te zijn gekomen aan de strijd tussen ideologieën, er lijkt tevens een einde aan strijd en ideologie überhaupt te zijn gekomen (zoals reeds in 1960 door Bell was beschreven). Weliswaar kan de rationele liberaal-kapitalistische democratie zelf niet bestaan zonder irrationele, thymotische drijfveren zoals arbeidsethos, trots op zaken als de democratie en eigen natie of groep, competitiedrang, e.d., maar zij ondermijnt zelf ook alle vormen van thymos door haar fundament van gelijkheid en rationalisering. De megalothymos (zichzelf als superieur erkend willen zien) is door de slavenopstand getransformeerd tot isothymos (het verlangen om als gelijke erkend te worden), maar is dat nog wel een vorm van thymos? Verwordt de burger van de liberale democratie niet tot een strikt calculerende burger die alleen nog handelt ten behoeve van de bevrediging van z’n natuurlijke verlangens tot zelfbehoud en comfort? Verwordt de hedendaagse burger niet tot Nietzsches “laatste mens”, de mens zonder borst, de middelmatige massamens zoals ook De Tocqueville die beschreven heeft: een politiek apathische burger want nog louter op veiligheid en consumptie gerichte burger? Leidt de moderne vrijheid niet juist tot een terugkeer naar de voormenselijke dierlijke staat?
Een ander effect van het moderne democratische beginsel van universele gelijkheid is de opkomst van waardenrelativisme. Liberalen willen dat de politiek zich sowieso minimaal bemoeit met het (privé-)leven van de burgers en als alle bezigheden en opvattingen die men in eigen kring uitoefent vanwege het gelijkheidsbeginsel in beginsel gelijkwaardig zijn, dan zijn uiteindelijk ook alle waarden, inclusief die waarop de liberale democratie is gebaseerd, gelijk ten opzichte van elkaar en slechts relatief want lokaal geldig. Dit relativisme glijdt bijna vanzelf af naar het nihilisme waar onder meer Nietzsche over heeft geschreven.

2. De Europese Unie en het liberale project

In de politiek van Europa domineert de voortgang naar het eindproces van het liberalisme. Want het liberale project is nog niet af: zoals reeds door Kant betoogd moet het liberalisme uiteindelijk leiden tot een federale wereldstaat van liberale staten. Want de vorming van de natiestaat was wel noodzakelijk om de liberale democratie te kunnen vestigen, maar het universalisme van de liberale gelijkheidsopvatting omvat alle mensen dus de hele wereld. Zoals ook religie naar het privé-domein moest worden teruggedrongen om een einde te kunnen maken aan de godsdienstoorlogen en de liberale democratie te kunnen vestigen, zo moet ook het thymotische bastion van het nationalisme waarop de natiestaat berust en die in de 20ste eeuw tot onder meer twee wereldoorlogen heeft geleid, worden beslecht om de liberale, kantiaanse droom van een eeuwige wereldvrede te kunnen vestigen. Net als religieuze opwinding moet ook nationale trots op eigen groep en cultuur naar het privé-domein van de burger worden teruggedrongen: in de liberale politiek is geen ruimte voor religieuze, nationale of culturele belangen. Net als bij het proces dat tot de vorming van de moderne democratische natiestaat heeft geleid, gaat ook bij het beslechten van de nationale grenzen de economische ontwikkeling aan de politieke ontwikkeling vooraf: inmiddels is het mondiale, grensoverstijgende kapitalisme evident geworden (dat onder meer heeft geleid tot groeiende macht van internationale multinationals, export van productie naar het buitenland en de overnames van bedrijven door buitenlandse bedrijven en investeerders) en is met name de Europese Unie bezig na een periode van economische samenwerking ook steeds meer in politiek opzicht een eenheid te vormen. In de liberale droom is de hele wereld één grote, open handelsmarkt zonder belemmeringen en is iedereen gelijk en wereldburger.
Een ander belangrijk aspect van dergelijke politiek is de al benoemde postideologische consensuspolitiek waarbij onderhandelende diplomaten en technocratische beleidsmakers de politieke beslissingen bepalen.

Met name de Europese Unie belichaamt de eindfase van de liberale democratie waarbij men zich ontdaan heeft van alle thymos in de politiek. Dit brengt met zich mee dat de mens er nog slechts als ‘rationeel dier’ wordt opgevat en men dus ook alle thymos uit de maatschappij wil bannen: economische belangen staan voorop en men zal proberen alle risico’s en al het lijden uit het leven van de burger te elimineren. In de Europese samenleving zal iedereen gelijk zijn, mag niemand onnodig lijden of gekwetst worden en zullen kosten noch moeite worden gespaard om alle risico’s uit te bannen en de burger veiligheid te bieden. De burger zal van wieg tot graf verzorgd worden en hij zal zorgeloos van zijn gerieflijk, comfortabel leven kunnen genieten zonder zelf te hoeven nadenken. Oorlogvoeren is ondenkbaar geworden: nog afgezien van de enorme en welhaast onbetaalbare kosten van een hedendaagse moderne oorlog en de ongekend gruwelijke gevolgen van een mogelijk conflict waarbij kernwapens worden gebruikt, is vrijwel niemand meer bereid zijn comfortabel, consumerend bestaan of die van een ander in te ruilen voor het hardvochtige leven aan het front waar men zelfs het leven zelf in de waagschaal stelt. Er is ook geen aanleiding meer om oorlog te voeren: men hoeft geen gebieden meer te veroveren om een economisch voordeel te behalen (het grensoverstijgende kapitalisme is daarin veel effectiever), het nationalisme is uitgeroeid en er is ook geen ideologisch conflict meer zoals in de Koude Oorlog.
De recente geschiedenis laat zien dat oorlogen tussen liberale democratieën in feite al niet meer zijn voorgekomen. Fukuyama wijst erop dat de Verenigde Naties, welk instituut vanuit de kantiaanse liberale gedachte is opgezet, er niet in is geslaagd om wereldvrede te bewerkstelligen omdat ook niet-liberale staten in de Verenigde Naties worden vertegenwoordigd en daardoor ook geen postideologische eenheid van posthistorisch liberalisme belichaamde (het instituut werd tijdens de Koude Oorlog in feite ook misbruikt ten behoeve van de ideologische strijd): Kissinger dreef de VS terecht naar een realistische, op Machiavelli gebaseerde, machtspolitiek waarbij de Verenigde Naties en de ideologische inhoud van de staten er niet toe doen en vrede wordt afgedwongen door dreiging en machtsevenwicht, omdat vrede gebaseerd op de (post-)ideologie van het liberalisme slechts werkt tussen liberale posthistorische staten onderling en niet in een wereld waar nog historische staten bestaan.

De hedendaagse linkse kritiek op de huidige liberale democratie bestaat in feite hieruit dat zij meent dat het gelijkheidsideaal van de democratie nog niet volkomen verwezenlijkt is. Zij wordt gedreven door de isothymos: stakende arbeiders spreken wel van een financieel-economische noodzaak van loonsverhoging, maar het gaat hen eigenlijk om (gelijke) waardering en ook illegalen hebben menselijke waardigheid en verdienen dus de bijbehorende rechten. Links streeft naar volstrekte gelijkheid: zij gelooft in het postideologische tijdperk weliswaar niet meer in een klassenstrijd of communisme, maar houdt zich thans bezig met zaken zoals dat een meisje niet meer hoeft te betalen dan een jongen bij de kapper, dat de padvinderij geen homoseksuele hopmannen afwijst, dat er geen gebouw wordt neergezet zonder helling voor rolstoelen bij de voordeur en dat geen enkele moslim zich in zijn geloof gekwetst voelt (dit semi-citaat van Fukuyama toont tevens zijn gebruikelijke sarcasme jegens links). Doordat links niet weet wat het wezen van de mens is (en volgens Marx heeft de mens geen absolute wezen, maar wordt zijn wezen gevormd door de omstandigheden) is er voor links ook geen wezenlijk verschil tussen de mens en de andere dieren (als de mens al te definiëren valt is hij simpelweg een dier met veel verstand zoals een giraffe een dier is met een lange nek), zodat het gelijkheidsbeginsel natuurlijkerwijs niet ophoudt bij de mens maar in wezen voor al het leven geldt: in eerste instantie wordt de grens gelegd bij alle dieren die kunnen lijden (zoals Singer in zijn consequent utilistische filosofie betoogt), maar uiteindelijk is de mens slechts een onderdeel van het totale natuurlijk ecologisch systeem en heeft bijvoorbeeld het HIV-virus evenveel rechten als de mens en zou de mens niets moeten doen dat bijvoorbeeld het natuurlijke systeem (waaronder klimaat) zou kunnen beïnvloeden.
Maar deze linkse kritiek is geen fundamentele kritiek en kan heel goed worden geïmplementeerd binnen het liberale project. Veel wijst erop dat de Europese Unie deze linkse visie in al haar aspecten reeds tot de hare heeft gemaakt. Dat is ook niet zo verwonderlijk want zoals al zo vaak is gebeurd in de geschiedenis lijkt de in de oorlog overwonnen partij in cultureel opzicht alsnog te winnen (zie bijvoorbeeld de hellenisering van Rome en de christening van de Germanen): met name in Europa is het (neo)marxistische gedachtegoed via tal van prominente intellectuelen (bijvoorbeeld de invloedrijke Frankfurter Schule) diep in het politieke denken doorgedrongen en uiteindelijk is de socialistische droom niet zo veel anders dan de liberale droom: ze zijn beide typisch moderne, progressieve, internationalistische doctrines die vrijheid en gelijkheid van alle mensen op aarde willen bewerkstelligen.

3. De wraak van de thymos

Rechts heeft een fundamentelere kritiek op de huidige liberale democratie: de mens wordt er gedegradeerd en omgevormd tot een verachtelijk kuddedier dat rampzalige gevolgen kan hebben. De Tocqueville heeft in zijn studie van de democratie in Amerika erop gewezen dat als gevolg van het allesdoordringende gelijkheidsbeginsel in de moderne democratie de volstrekte nivellering en materiële welstand ervoor kunnen zorgen dat de burger opgeeft zelfstandig na te denken, hij apathisch wordt en uitgeleverd wordt aan de publieke opinie, de helft plus één en de centrale staatsmacht hetgeen uiteindelijk kan leiden tot een fluwelen slavernij waarin de monddood en tot makke schaap gemaakte burger van wieg tot graf verzorgd en geleefd wordt. Nietzsche formuleerde iets later nagenoeg dezelfde kritiek, maar anders dan De Tocqueville legde hij zich er niet bij neer en geloofde hij dat het nihilistische tijdperk tevens een uitgelezen kans was voor de mens om zichzelf te hervinden en te overstijgen: de christelijke, nihilistische dwaling waarbij de mens denkt dat God de bron van waarden is heeft zichzelf vernietigd (het gelijkheidsideaal heeft uiteindelijk zelfs God letterlijk een kopje kleiner gemaakt en het atheïstische socialisme als de christelijk-decadente doctrine bij uitstek opgeleverd). Nu de mens weer op zichzelf is teruggeworpen zal de mens ontdekken dat hij zelf waarden schept (en dat ook altijd al gedaan heeft). Bij Nietzsche is de mens uiteindelijk niets anders dan thymos, de wil tot macht, en omdat deze in het postchristelijke tijdperk weer vrij zal kunnen worden uitgeoefend zal de mens zichzelf overstijgen en zo de Übermensch genereren. De laatste mens, het getemde dier, verandert opnieuw in een roofdier dat weer veel weg heeft van de eerste, bloeddorstige en strijdlustige mens die zelf bepaalt wat goed en slecht is en als heerszuchtig meester zijn omgeving aan zijn wil onderwerpt, al zal het veel hogere bewustzijn de strijd en de heerschappij minder lichamelijk en meer intellectueel maken (merk de overeenkomst op met het marxisme dat gelooft dat de communistische revolutie de oorspronkelijke communistische natuurstaat herstelt op een hoger want bewust niveau, maar bij het marxisme belooft de toekomst juist een einde van alle strijd en onderwerping van de massa).

Wat hiervan ook zij, het is evident dat de thymos van de huidige mens misschien wel is onderdrukt maar nog zeker niet is vernietigd. Niet alleen is een zekere mate van thymos noodzakelijk om niet te vervallen in volstrekte apathie en nihilisme dat de liberale democratie zelf zou ondermijnen, in de moderne liberale democratie wordt van de burger verwacht dat hij zijn gevaarlijkere thymotische hartstochten onderdrukt en sublimeert. Die sublimering en uitlaatklep van de thymos heeft doorgaans de vorm van competitie en prestatiezucht zoals die bestaan in zaken als sport, wetenschap maar natuurlijk ook met name in de vrije handelsmarkt: economische competitie en prestaties zijn niet alleen onschuldig maar juist ook van wezenlijk belang voor het succes van de liberale democratie (reden waarom in de VS het streven naar rijkdom altijd al als een deugd is opgevat). Minder getalenteerde mensen kunnen hun thymotische driften uitleven in bijvoorbeeld gevaarlijke sporten en hobby’s zoals bergbeklimmen of bungy jumpen.

In staten die nog historisch zijn en het einde van de geschiedenis nog niet hebben bereikt, heeft de thymos meer vrijheid om zich in de politiek te doen gelden. Niet alleen is het nationalisme in veel landen nog sterk, wat bijzonder opvalt is de wereldwijde religieuze opleving: “de wraak van God” zoals Kepel het noemde. Dit heeft te maken met de zoektocht naar de eigen identiteit en daarmee de eigen cultuur die in vrijwel de gehele wereld zeer sterk is geworden, juist als reactie op het progressieve en universalistische economische en politieke globalisme. De omslag van de dominantie van progressieve en universalistische ideologieën (zoals met name het liberalisme en socialisme) naar conservatisme en postmoderne culturaliteit vond plaats via de romantische revoluties van 1968 (waaronder de flower power-revolutie in het westen en de Culturele Revolutie in China). Waar bijvoorbeeld Maarten Luther King begin jaren ’60 nog droomde van een kleurenblinde samenleving waar zwarten en blanken dezelfde christelijke waardigheid als mens bezitten, willen de zwarten in de VS sinds het einde van de jaren ’60 niet zozeer als mens als zodanig worden erkend maar willen zij vooral dat de zwarten als groep met hun eigen – dus juist liever geen christelijke – cultuur en waardigheid worden erkend. Ook postmoderne feministen benadrukken juist de verschillen tussen mannen en vrouwen. In het na 1968 dominant geworden postmodernisme moet elk individu vanuit zijn eigen cultuur en etniciteit begrepen worden (dat is het zogenoemde cultuurrelativisme) en heeft elke cultuur recht op respect en een eigen ‘vertoog’. Religie werd rond 1980 opeens weer belangrijk in de politiek, onder meer bij de islamitische revolutie in Iran en het fundamentalistische christendom onder Reagan in de VS.

Maar de opkomst van het belang van religie en cultuur heeft ook grote gevolgen voor de onderlinge verhoudingen van groepen en naties in de wereld. Huntington stelt in z’n beroemd artikel uit 1993 dat de wereld momenteel langs culturele lijnen wordt verdeeld en dat de (nabije) conflicten in de toekomst niet ideologisch of economisch maar cultureel van aard zullen zijn. Daarbij zijn met name de volgende drie machten van belang: de VS, Azië (met name China) en de moslimgemeenschap. Na de val van de Muur waren de VS de enige overgebleven supermacht op Aarde, een situatie waarvan de VS hebben willen profiteren, maar reeds nu al worden de VS en hun hegemonie uitgedaagd door China en door moslims. Zowel de moslimwereld als Azië hebben hun traditionele maatschappijen gemoderniseerd zoals op grond van de ontwikkelingsleer van Fukuyama te verwachten was en daarbij in allerlei opzichten aansluiting bij het westen gezocht zodat bijvoorbeeld ook de Koude Oorlog juist in de Derde Wereld heftig heeft gewoed (ironisch genoeg is de verwesterlijking van de Derde Wereld vooral een proces dat na de dekolonisatie op gang kwam, juist om als onafhankelijke staten te kunnen concurreren met de westerse staten). Na een proces van homogenisering naar westers model in de 20ste eeuw, zien we dat momenteel de Derde Wereld wel verder wil moderniseren, maar niet meer wil verwesteren: men is op zoek naar de eigen identiteit en dus de eigen cultuur. Dat geldt met name ook voor Azië en de moslimwereld, al is voor hen de reden voor hun teruggrijpen naar de eigen identiteit en tradities tegengesteld: Azië vanwege hun succes, de moslimwereld vanwege hun falen. Dit zal ik nader toelichten.

De modernisering van Azië is een ongekend succesverhaal: in korte tijd – soms binnen slechts enkele decennia – hebben met name Oost-Aziatische landen zich ontwikkeld van zeer arme, traditionele samenlevingen naar uiterst moderne, welvarende landen. Nadat eerst Japan al een geduchte economische concurrent van de VS en Europa was geworden, is nu ook China zich in een zeer hoog tempo tot een economische supermacht aan het ontwikkelen. Door dit succes wordt Azië niet alleen politiek steeds machtiger en invloedrijker, maar is er ook een groot zelfvertrouwen gegroeid dat zich niet alleen uit in nationalisme maar ook in een hernieuwde belangstelling voor de eigen culturele en religieuze tradities: Azië heeft immers altijd zijn eigen cultuur behouden en juist die cultuur bleek het geheim van het snelle economische succes. Niet alleen de Amerikaanse op protestantistische, individualistische waarden geschoeide arbeidsethos levert economisch succes op, de typisch Aziatische arbeidsethos gebaseerd op groepscultuur en loyaliteit blijkt minstens zo goed te werken. Er is voor Azië dan ook geen enkele reden meer om het westen en zijn cultuur superieur te achten: het acht inmiddels zijn eigen cultuur zoals het confucianisme in China superieur. China kan dan ook vol vertrouwen en met een trots beroep op zijn eigen culturele tradities de VS en het westen economisch en wellicht ook politiek uitdagen.

De modernisering van de moslimwereld daarentegen is een fiasco gebleken. Ondanks de inspanningen van politieke leiders zoals Ataturk in Turkije, Nasser in Egypte en de Baathpartijen in Syrië, Libanon en Irak bleken de voor een succesvolle modernisering noodzakelijke waarden (waaronder secularisering en arbeidsethos) niet te kunnen worden geassimileerd in de moslimcultuur. Weliswaar hebben de hervormers de traditionele structuren voor een deel weten te vernietigen en er uiterlijk moderne samenlevingen voor in de plaats gezet, maar het beklijfde niet omdat de bevolking de moderne waarden niet wist te integreren met hun traditionele opvattingen. Veel sterker dan Azië wilde de trotse moslimwereld geen imitatie van het westen worden. Hervormers moesten vaak grof geweld en staatsterreur gebruiken om het moderne project te doen slagen (zoals Saddam Hoessein in Irak), hetgeen juist het verzet onder de bevolking en het teruggrijpen op religie (mede omdat de bevolking met name in moskeeën samenkwam) alleen maar aanwakkerde. Na de islamitische revolutie in Iran heeft het religieuze en conservatieve verzet tegen de modernisering snel en vrijwel overal in de moslimwereld in ieder geval onder de bevolking de strijd gewonnen: hooguit dictators en militairen kunnen de zege van religieuze partijen in het politieke domein tegenhouden (zoals in Tunesië en Turkije). Door de mislukte modernisering is er in de hele moslimwereld een politieke crisis ontstaan, beheerst corruptie en despotisme het publieke leven en leven de meeste moslims nog altijd in armoede. Juist voor de trotse moslimcultuur, die bovendien tot de modernisering van Europa in vrijwel geen enkel opzicht de mindere van het westen was, is dit – na de vernederende kolonisatie in de 19de eeuw – opnieuw een grote en bijkans definitieve vernedering. Vergelijkingen met de situatie in Duitsland in het interbellum dringen zich op en het wekt dan ook geen verbazing dat er in de moslimwereld eveneens een beweging is ontstaan die men fascistisch kan noemen. Ideologisch heeft zij haar wortelen in 19de eeuw met onder meer al-Afghani en het verlangen naar een Islamitische Renaissance. Deze beweging heeft in de 20ste eeuw een uitdrukkelijk politieke vorm aangenomen bij onder meer Mawdudi, Qutb en de Moslimbroederschap. In essentie streeft men utopisch-reactionair naar herstel van de zuivere waarden van de islam (die in werkelijkheid nooit bestaan hebben) in de vorm van een theodemocratie zoals Mawdudi het noemde, waarbij de islam volledig is gepolitiseerd en gedemocratiseerd: een intellectuele voorhoede regeert namens het volk waarbij de islamitische wetten zoals neergelegd in de heilige geschriften van de islam worden geïmplementeerd en dus moeten worden nageleefd. Tijdens de Koude Oorlog heeft zij veel afgekeken van het communisme en daarbij tevens de haat tegen het vrije westen overgenomen, maar ook het nationaal-socialisme is een belangrijke inspiratiebron, onder meer voor de haat tegen joden (waarbij het conflict met Israël natuurlijk een grote rol speelt).
Hierbij zij overigens opgemerkt dat het bezit van grondstoffen zoals olie, rijkelijk aanwezig in veel moslimlanden, in zekere zin een vloek voor die landen is: oliestaten hebben geen hardwerkende bevolking nodig omdat zij de rijkdom zo uit de grond kunnen boren. Daardoor wordt de natuurlijke ontwikkeling van de maatschappij tot uiteindelijk een liberale democratie zoals hiervoor beschreven geblokkeerd (ook nu zien we dat juist de staten met olie of gas zoals Rusland, Venezuela en Iran een ondemocratische kant op gaan). In dit verband is ook de oliecrisis in de jaren ’70 vermeldenswaardig: dat was het moment waarop Arabische staten beseften dat zij niet machteloos staan, maar een machtig wapen tegen het westen in handen hebben. Mogelijk was dit de bewustwording die nodig was voor de moslimfascisten om zich uitdrukkelijk tegen het westen en de moderniteit te keren.

Onder meer Huntington en Heinsohn wijzen op het belang van de demografische ontwikkeling ter verklaring van het huidige wereldwijde moslimextremisme. Bijna alle moslimlanden kennen een enorme bevolkingsgroei met in onze tijd pieken in jongerenoverschotten. De geschiedenis lijkt een verband aan te tonen tussen dergelijke demografische ontwikkelingen en revoluties of veroveringsoorlogen, zoals in de Renaissance of Duitsland in de jaren ’30 en ’40, hetgeen ook logisch lijkt: een scherpe stijging van het aantal jongemannen creëert het probleem dat slechts een deel van hen de functies en machtsposities van hun vorige generatie kan overnemen. Een groot deel van de jongemannen zal felle competitie moeten leveren voor het verkrijgen van werk en aanzien. Een groot deel zal migreren en/of nieuw gebied proberen te veroveren. Daarbij wijst Heinsohn erop dat niet schaarste tot revolutie of oorlog leidt, maar dat het verband omgekeerd is. De moslimopstand was juist slechts mogelijk vanwege de (mislukte) modernisering van de moslimwereld die verstedelijking, onderwijs en daarmee opgeleide, welgevoede jongeren voortbracht: revolutie komt altijd uit de jeugdige burgerlijke middenklasse omdat die de onvrede het meest bewust is en jongeren een grote thymotische dadendrang kennen. Die onvrede in de moslimwereld is enorm. Aanvankelijk hebben moslimextremisten geprobeerd hun door het westen gecorrumpeerde leiders af te zetten, maar inmiddels hebben ze zich gekeerd tegen de (vermeende) bron van al het kwaad: het vrije westen en zijn invloed in de wereld. De jongeren, gefrustreerd met hun uitzichtloos leven zonder werk in een arm en door mislukte modernisering en corruptie ontwrichte samenleving, klampen zich vast aan de aangeboden ideologie die strijd, de overwinning op het westen en een beter leven (desnoods als martelaar in het paradijs) belooft. Maar de woede, frustratie en jeugdige rebellie en dadendrang kunnen niet zonder een ideologische rechtvaardiging voor de strijd worden aangewend: die ideologische rechtvaardiging is de islam zodat de politieke revolutie in naam van de islam wordt gepredikt en men van islamisme spreekt (Heinsohn trekt een parallel met de Spaanse veroveraars in de 16de eeuw die het christendom als ideologische rechtvaardiging voor de genocide op de indianen hanteerden en daarom christianisten zouden kunnen worden genoemd). De islam biedt ook meer dan welke wereldreligie dan ook een ideologisch-religieuze rechtvaardiging voor strijd en geweld: volgens arabist Jansen bevat de Koran meer dan 164 oorlogspassages en vormt de strijd tegen het kwaad, dat wil zeggen de strijd tegen het ongeloof en de ongelovigen, het centrale thema van de Koran. De islam kent ook uitdrukkelijk het concept van ‘de heilige oorlog’ (net als het calvinisme trouwens). In dit verband is het ook vermeldingswaardig dat het christendom wordt gekenmerkt door zondebesef dat zich, mede op basis van het oude Griekse “ken uzelf” en het stoïcisme, heeft ontwikkeld tot een cultuur van zelfkritiek en boetedoening (hetgeen mogelijk een belangrijke motor van zijn ontwikkeling op basis van de door de zelfkritiek gecreëerde innerlijke dialectiek is geweest). De islam kent geen cultuur van zelfkritiek, maar neigt naar het omgekeerde: alle onheil en schuld komt van buiten zodat dat uitheemse moet worden bestreden zoals bevestigd in de islamitische opvatting van de niet-islamitische wereld als “het huis der oorlog” en het principe van de verdediging van eer en de islam tegen bezoedelaars.

Daar staat de verzwakking van het voorheen oppermachtige westen tegenover. Waar de moslimwereld vol jeugdige thymotische bezieling is, heeft Europa alle bezieling en strijdlust afgeschaft en ook de voorheen zo energieke VS lijken uitgeput te raken. De VS krijgen steeds meer moeite hun peperduur geworden oorlogen te winnen dan wel te kunnen betalen. In tegenstelling tot het jongerenoverschot in de moslimwereld, is er in het westen een groot ouderenoverschot: de bevolking vergrijst en neemt af (Heinsohn spreekt van een demografische zelfmoord). Als gevolg van onder meer het contact met andere culturen en het kunnen ontstaan van het nazisme en de moord op zes miljoen joden in een hoog ontwikkeld, westers land als Duitsland, is er een crisis in het denken en het zelfvertrouwen ontstaan waarvan het relativistische postmodernisme de intellectuele manifestatie is. De politieke concurrentie van het socialisme en de economische concurrentie van Azië hebben het zelfbeeld verder aangetast. Vergelijkingen met de periode van het verval van het Romeinse Rijk worden wel gemaakt en zeker voor de moslims is dat een aantrekkelijke vergelijking omdat zij ook het westen met name met morele decadentie associëren. Voor met name moslimextremisten zijn dit belangrijke redenen waarom zij geloven dat ze de strijd tegen het westen kunnen winnen (nog afgezien van het feit dat ze geloven dat zij de Islam dus de Waarheid aan hun kant hebben en alleen al daarom een heilige oorlog niet kunnen verliezen). Ook niet-islamitische maar evengoed ambitieuze leiders zoals Poetin van Rusland en Chavez van Venezuela die zich door het rijke bezit van grondstoffen machtig voelen, lijken niet meer onder de indruk van de macht van de VS en voeren steeds uitdrukkelijker een eigen en antiwesterse koers.

4. De crisis van Europa

De bevolkingsexplosie en het economische falen in de moslimwereld heeft een zeer omvangrijke arbeidsmigratie naar Europa als dichtstbijzijnd welvarend continent voortgebracht. Heinsohn heeft daarbij opgemerkt dat de sociale zekerheid in het westen op grote schaal door moslima’s is gebruikt om thuis te blijven en kinderen op te voeden, zodat de grote bevolkingsgroei bij moslims zich ook onder de migranten in Europa heeft doorgezet. Gecombineerd met de grote immigratiestromen is daardoor de groei van de moslimgemeenschap in Europa zeer groot: in veel steden zal de meerderheid van de jongeren binnen enkele jaren van allochtoonse en meestal islamitische achtergrond zijn. Putnam heeft onderzoek gedaan naar de effecten van de multicultuur in de VS en geconcludeerd dat etnische en culturele diversiteit wantrouwen met zich brengt: tussen de verschillende groepen onderling maar zelfs ook binnen de groepen zelf. Daarbij komt dat de moslimimmigranten in Europa meestal laagopgeleid zijn en daardoor relatief vaak slecht integreren en relatief vaak werkloos zijn, hetgeen deze groep extra ontvankelijk maakt voor criminaliteit en radicalisering. Vanzelfsprekend versterken deze omstandigheden het wantrouwen tussen allochtonen en autochtonen in hoge mate. De voorts op segregatie gerichte multicultuur creëert zo twee groepen die geen contact met elkaar hebben en bijkans vijandig tegenover elkaar staan. Een bijkomend effect hiervan is dat de solidariteit waarop het systeem van de sociale zekerheid is gebaseerd wordt ondermijnd: autochtonen zullen steeds minder bereid zijn mee te betalen aan sociale voorzieningen als die voornamelijk ten gunste van de (nieuwe onderklasse van) allochtonen komen.

De aanwezigheid van groeiende aantallen deels onaangepaste of antiwesterse immigranten, de persoonlijke catastrofes (slachtofferschap van criminaliteit of terroristische aanslagen) en mogelijke gedwongen veranderingen in levensstijl (het verdwijnen van de eigen liberale cultuur) die dat voor het leven van de autochtonen (zouden) kunnen betekenen en het feit dat de immigranten meestal de groepscultuur van hun eigen cultuur hebben meegenomen en geïsoleerd van de autochtonen leven zodat de individualistisch ingestelde autochtoon de allochtonen makkelijk als groep tegenover zich geplaatst ziet, leidt er makkelijk toe dat ook de autochtoon – net als de ontwortelde immigrant – veiligheid zoekt binnen de eigen groep en cultuur. Door de (potentieel) conflictueuze situatie tussen allochtonen en autochtonen wordt ook de thymos van de autochtoon aangesproken. Huntingtons (thymotische) botsing der culturen lijkt eerder een binnenlands Europees dan een internationaal fenomeen te worden. Weliswaar ligt de oorsprong van de onvrede onder veel burgers in Europa bij de snelle transformatie van de liberale, homogene natiestaat naar de eindfase van het liberale project, de multicultuur zonder grenzen en de onzekere toekomst die dat meebrengt, maar de massale instroom van moslims en de maatschappelijke ontwrichting en gespannen situatie die dat heeft opgeleverd vormt ongetwijfeld de directe aanleiding van het verzet tegen zowel de transformatie als de door het globale kapitalisme uitgelokte arbeidsimmigratie. Niet alleen de bevolkingsgroepen segregeren en polariseren, vooral ook de politieke elite polariseert in haar onmacht de situatie goed in te schatten en adequaat te reageren. Daarbij komt dat het verzet soms ook zelf fascistische en racistische trekken vertoont, waarbij men de onvrede en de ontwrichting vooral door middel van repressieve maatregelen wil beteugelen en men zich tegen de aanwezigheid van buitenlanders überhaupt keert. Een en ander toont de crisis waar Europa zich in bevindt.

In Nederland zijn de progressieve partijen – zowel de liberale als de sociaal-democratische partijen – dominant en verschillen eigenlijk niet van mening over de juiste richting van maatschappij zoals die door de politiek moet worden bevorderd: de vervolmaking van het reeds beschreven globaliserende liberale project. Het verzet daartegen wordt in de Tweede Kamer vaak slechts belichaamd door Wilders en zijn partij. Menig commentator rept van een radicaliserende Wilders wiens uitlatingen een transformatie suggereren van een conservatief-liberale opstelling (strevend naar behoud van de liberale natiestaat en diens waarden) naar fascistoïde en racistische haat en intolerantie jegens de islam en zijn beoefenaars, maar daar valt wel een en ander aan af te dingen. Echt racisme lijkt meer een typisch Oost-Europees verschijnsel en Wilders lijkt meer gekant te zijn tegen het moslimfascisme en de islam en moslimcultuur als bronnen daarvan dan tegen mensen louter vanwege hun afkomst of de moslimcultuur sec. Bovendien pleitte ook Churchill voor een beperking van het aantal zwarte immigranten, terwijl niemand kan twijfelen dat hij aan de kant van de geallieerden en niet aan de kant van enigerlei soort fascisten stond. Racisme is echter geen wezenlijk kenmerk van fascisme en Wilders heeft wellicht eerder fascistische tendensen, nu hij een sterke voorliefde toont voor verboden en andere repressieve maatregelen om zaken die hem niet aanstaan de kop in te drukken en hij zijn minachting voor andersdenkenden, zeker als het om medeparlementariërs gaat, niet onder tafel en stoelen steekt. Zijn uitlatingen suggereren een ongezonde haat dat slechts tot intolerantie en onderdrukking kan leiden, al vertekent zijn gebrek aan intellectualisme en diplomatie misschien het beeld: hij roept niet op tot geweld of de omverwerping van de democratie en lijkt uiteindelijk vooral een gewone conservatief te zijn.
Hoe dan ook, de zeer ongewone en felle botsingen tussen hem en de gevestigde politiek tonen vaak heel precies waar de schoen wringt in het huidige Europa waarbij in de grove uitlatingen van Wilders vaak een kern van waarheid valt bloot te leggen waar zijn tegenstanders geen inhoudelijk weerwoord op hebben. Bij deze confrontaties komen mijns inziens grofweg drie belangrijke pijnpunten aan het licht.

Ten eerste ageert Wilders en z’n partij – evenals met name de Socialistische Partij – tegen de opgetreden snelle ontwikkeling naar de eindfase van het liberale project in brede zin. Conservatief links en conservatief rechts vinden elkaar hier in hun afwijzing van het verdwijnen van de nationale verzorgingsstaat en de toenemende macht en omvang van de Europese Unie, al ageert links daarbij vooral tegen het globale kapitalisme en rechts vooral tegen het multiculturalisme (hetgeen echter twee kwesties zijn die nauw met elkaar zijn verbonden). Beide hameren op het nationale belang en pleiten voor een hernieuwde nationale gemeenschapszin waarbij links de economische solidariteit met de zwakkere eigen burgers en rechts de oorspronkelijke nationale culturele eenheid wil behouden. Zoals gezegd is de linkse kritiek minder fundamenteel, reden waarom linkse antiglobalisten liever andersglobalisten worden genoemd omdat ze wel het doel maar niet het middel van het huidige globalisme onderschrijven.
Dat ook onder de bevolking in hoge mate een verlangen naar nationale gemeenschapszin bestaat, laten niet alleen de recente verkiezingsuitslagen en -prognoses zien (met winst voor met name de conservatieve partijen zoals PVV, SP en CDA), maar bijvoorbeeld ook de zeer emotionele en bijna hysterische uitingen van gemeenschapszin bij zich daartoe lenende nationale evenementen zoals de begrafenissen van bij het volk populaire mensen als volkszanger Hazes. Niet alleen verzet de bevolking zich in sterke mate met hand en tand tegen de instroom van immigranten en de multicultuur, zelfs de verkoop van Nederlandse bedrijven aan buitenlandse bedrijven stuit op emotionele weerstand onder de bevolking. De bevolking is duidelijk nog niet klaar of bereid om de warmte van de eigen groep en cultuur en de zekerheid van de natiestaat te verruilen voor de internationalistische en onpersoonlijke, rationele structuren waarop de eindfase van het liberale project berust.

Ten tweede richt het rechtse verzet zich in het bijzonder op de instroom van immigranten en de multicultuur. Dit lijkt me in ieder geval ten dele terecht. Zelfs bij het linkse deel, waar het multiculturalisme voorheen werd bejubeld, ziet men inmiddels in dat het multiculturalisme een verkeerde weg is omdat multicultuur in wezen omgekeerd racisme is (zoals Žižek betoogt), apartheid in een politiek correct jasje (zoals Kepel het noemt) en in ieder geval de bevolkingsgroepen segregeert in plaats van integreert. Ook links is tegenwoordig ervan overtuigd dat het wenselijk is dat immigranten integreren in plaats van zich op te sluiten in hun eigen cultuur. Het cultuurrelativisme is al oud (met met name Hegel en Marx als moderne grondleggers) en in de oorspronkelijke beschrijvende versie vind ik het een plausibele leer: er bestaat geen universeel wezen van de mens (of universele waarheid), maar zijn wezen (of de waarheid) wordt (in ieder geval voor een deel) bepaald door de historische en lokaal-culturele omstandigheden. Maar begrip van iemands gedrag biedt nog geen rechtvaardiging van dat gedrag (dat is juist het cruciale punt waar met name de deontologische ethiek van Kant zich onderscheidt van de naturalistische ethiek zoals het utilitarisme). Ook een verklaring van iemands gedrag of opvattingen door het in de context van de concrete historische en culturele omstandigheden te plaatsen, biedt op zichzelf nog geen grondslag voor een ethische rechtvaardiging. Maar voor zover het descriptieve cultuurrelativisme wordt aangenomen en het prescriptieve (cultuur)relativisme niet samenvalt met nihilisme – zoals bij: kannibalisme is even goed of slecht als armoedebestrijding – is het misschien evengoed wel een realistische benadering: niemand kan vanuit een waarlijk objectief standpunt oordelen want iedereen bevindt zich reeds in een culturele context. Maar dan moet men cultuur wel serieus durven nemen: zoals mensen geworteld zijn in hun cultuur, zo is die cultuur weer geworteld in de tradities op een bepaalde locatie. Dat vereist respect voor de lokale cultuur zoals bijvoorbeeld het levend begraven van gehandicapte baby’s bij een Indianenstam in het Braziliaanse regenwoud en evengoed voor de liberale cultuur in Nederland, ongeacht je persoonlijke oordeel over de betreffende tradities en culturen. Juist omdat de waarden van culturen kunnen botsen en cultuur in lokale tradities zijn geworteld, is het dan van belang dat immigranten beseffen dat zij door migratie worden ‘ontworteld’ uit hun oorspronkelijke lokale cultuur en opnieuw zullen moeten wortelen in de cultuur van het nieuwe thuisland dat zich bereid heeft getoond de nieuwkomers in zijn cultuur op te nemen. Indien uitheemse waarden niet worden losgelaten maar worden opgelegd, leidt dat juist tot ontwrichting van de bestaande, lokale cultuur. Dit geldt evengoed voor de Indianenstam als voor de Nederlandse samenleving: het linkse cynisme met betrekking tot de westerse cultuur is ongegrond en kan zelfs door de weinig opgeleide Wilders adequaat worden weerlegd. Ook een serieus cultuurrelativisme vereist dus integratie en aanpassing van de immigrant. Omgekeerd biedt ook het universalistische perspectief, zoals van “de universele rechten van de mens” die immers zijn voortgekomen uit de westerse, liberale traditie, geen grondslag voor het accepteren van onaangepaste immigranten die die universele rechten en daarmee de liberale grondslagen van onze cultuur, rechten en politieke structuren (kunnen) ondermijnen. Het in de praktijk gebrachte multiculturalisme waarbij immigranten zich niet hoefden aan te passen is dus sowieso niet te rechtvaardigen (het respect voor de oorspronkelijke, ‘zuivere’ cultuur van de immigranten heeft zelfs een verwantschap met de reactionaire nazistische obsessie voor het concept van de oorspronkelijke, zuivere cultuur).

Dat het toch in de praktijk is gebracht heeft te maken met juist de liberale traditie van het westen (waarvan bijvoorbeeld Mak de kenmerkende tolerantie zo graag wil behouden): deze ziet de verhouding tussen staat en individu als centraal en wil vooral de individuele burger beschermen tegen de machtige staat. In het bijzonder wil zij een zo groot mogelijk privédomein van de burger respecteren waarin de burger vrijelijk zijn opvattingen en levensstijl kan beleven en koesteren. Maar dit liberalisme heeft een blinde vlek voor de onderdrukking van individuen onderling die de door de staat gegunde vrijheid kan opleveren: opmerkelijk genoeg zagen de socialisten dit verschijnsel van onderdrukking in de vorm van economische uitbuiting in de liberale samenleving heel scherp, maar juist links is blind geweest voor de onderdrukking van bijvoorbeeld vrouwen en afvalligen binnen de islamitische gemeenschap zoals die mogelijk werd gemaakt door die liberale vrijheid en geringe overheidsbemoeienis. Ook vereist de liberale staat het terugdringen van onder meer religie naar het privéleven van de burger: het toelaten van grote aantallen immigranten die bijvoorbeeld de scheiding tussen kerk en staat niet respecteren kan het hele politieke liberale gebouw waarop de westerse staat berust ondermijnen. Wat links nog onvoldoende inziet is dat ook het stimuleren van integratie geen volledige zekerheid geeft dat immigranten zullen integreren en de westerse waarden waarop onze omgangsvormen, het recht en de politieke structuren zijn gevestigd (van gemengd zwemmen tot de scheiding van kerk en staat) zullen onderschrijven zodat met name onze moderne, liberale samenleving kan blijven bestaan.

Met het toelaten van enorme aantallen immigranten uit voornamelijk islamitische culturen – en daarmee mensen die veelal uit semi-feodale samenlevingen en/of met een semi-fascistische ideologie – heeft men een gigantisch sociaal en politiek experiment gecreëerd, enigszins vergelijkbaar met die van het communisme in de Sovjet-Unie, waarvan de gevolgen nog onzeker zijn. Er is een reële kans dat het liberalisme zichzelf hiermee juist vernietigt: in plaats van dat de eindfase van het liberalisme wordt verwezenlijkt, ontstaan er wellicht weer godsdienstoorlogen en rassenrellen binnen de eigen landsgrenzen en wordt de liberale democratie vernietigd. Kant sprak van een wereldfederatie van liberale staten: de Verenigde Naties hebben als zodanig gefaald omdat zij ook niet-liberale staten lid maakten. Ook het globale kapitalisme kan slechts een gezonde, stabiele liberale wereld zonder grenzen en met gelijke wereldburgers scheppen wanneer die burgers ook daadwerkelijk gelijk zijn in die zin dat ze allemaal de beginselen van het liberalisme onderschrijven. Men had dus wijzer gedaan als men wat selectiever was geweest met de uitbreiding van de markt naar mondiaal niveau. Niet dat men geen handel met minder ontwikkelde culturen zou moeten drijven (integendeel, want juist internationale handel stimuleert de ontwikkeling van alle betrokken partijen), maar zeker aan de poort van de liberale natiestaat had men selectiever mensen moeten toelaten.

2 November 2007
By on 13:38

(vervolg)

Vanuit zijn isothymotische gelijkheidszucht in combinatie met zijn idealistische gerichtheid op de utopische rechtvaardige wereld, miskent links de realiteit van de megalothymos: bij zichzelf (de ironie van links is dat het megalothymotische, revolutionaire persoonlijkheden en drijfveren vergt om de bestaande orde omver te werpen) maar vooral ook bij de immigranten die uit landen en culturen komen die nog vol megalothymotische hartstochten zitten. Het is een feit dat de wereld uit bevolkingsgroepen en naties bestaat die in verschillende fases der ontwikkeling verkeren – sommige reeds in het posthistorische stadium, andere nog diep in het historische proces – en die niet gelijk zijn. Ook het opnemen van immigranten in de postmoderne westerse cultuur maakt hen niet gelijk: het is waarschijnlijk dat mensen (deels) worden gevormd door hun omgeving, maar die omgeving bestaat niet slechts uit de maatschappij en de sociaal-economische omstandigheden, maar ook uit de lokale cultuur die in het geval van immigranten vaak mee is geïmporteerd en die botst met de westerse cultuur. Zeker bij laagopgeleide immigranten wordt succesvolle integratie slechts moeizaam tot stand gebracht en is vaak een proces dat zich gedurende vele generaties ontwikkelt. Als de instroom van immigranten zich bovendien op grote schaal voordoet, kan de integratie zelfs makkelijk stoppen omdat nieuwe immigranten dan worden opgenomen in de zich ontwikkelde grote immigrantengemeenschap zonder nog te hoeven integreren in de oorspronkelijke autochtone gemeenschap (dat zien we niet alleen in Europa optreden, maar bijvoorbeeld ook in het zuiden van de VS door de massale instroom van hispanics aldaar). Bovendien heeft ook de autochtoonse gemeenschap veel tijd nodig om te wennen en zich aan te passen aan de door de massale instroom van allochtonen veranderende samenleving, een verandering nota bene waar zijzelf nooit om gevraagd heeft. Die acceptatie van met name moslims wordt nog eens extra bemoeilijkt door het geweld en de terreuraanslagen die in onze tijd in alle delen van de wereld door moslims worden gepleegd alsmede de steeds luider wordende eis van moslims dat autochtonen hun religie en cultuur in elk aspect respecteren hetgeen steeds meer aanpassing van de autochtoon vergt. Al met al is er genoeg reden om de instroom van immigranten – en dan met name laagopgeleiden uit onderontwikkelde moslimculturen – binnen proporties te houden. In dit opzicht zou Marx gelijk kunnen hebben: je kunt geen nieuwe samenlevingen creëren louter vanuit het blote utopische idee ervan, maar de natuurlijke ontwikkeling van een samenleving heeft haar eigen (materialistische) wetten en tempo. Het willen realiseren van een utopische toekomst in een samenleving die daar nog niet rijp voor is, leidt in ieder geval ook tot onrust en ontwrichting (en wat dan weer de essentiële voeding geeft aan de draagvlak bij de bevolking voor reactionaire fascistische tegenbewegingen).

Ten derde belichaamt rechts momenteel het kritische verzet tegen de gevestigde politieke orde en haar dictatoriale of paternalistische wijze van besturen (wat dat betreft hebben links en rechts opvallenderwijs stuivertje gewisseld sinds de jaren ’80). De afname van democratie als gevolg van de Europese politiek lijkt tweeledig. Ten eerste is die afname het gevolg van de formele structuur van de Europese Unie: enerzijds neemt de gemiddelde politieke invloed per burger af naarmate de Europese Unie meer burgers vertegenwoordigt (dus meer naties lid laat worden) alsmede de Europese Unie meer zeggenschap boven de nationale democratische structuren krijgt, anderzijds wordt die vervreemding van de burger nog verder vergroot doordat de Europese Unie een weinig transparante besluitvorming kent dat weinig democratisch is en vooral het werk van diplomaten en technocratische beleidsmakers is. Ten tweede is de gevestigde en progressieve politieke orde in Europa blind en doof voor de onrust en ontwrichting die zij in de samenleving heeft bewerkstelligd als gevolg van het kapitalistisch globalisme, de massale arbeidsimmigratie en het gepropageerde multiculturalisme, hetgeen duidelijk blijkt uit het feit dat ze – terwijl de bevolking reeds steunt en kreunt onder de maatschappelijke druk als gevolg van de reeds aanwezige enorme aantallen slecht geïntegreerde immigranten – in hoog tempo de grenzen letterlijk openstelt voor grote aantallen nieuwe arbeidsimmigranten uit Oost-Europa. Deze Europese politiek die men zou kunnen betitelen als ‘de grote sprong voorwaarts’ (naar het posthistorische Europa) lijkt in erg veel opzichten op die van Mao in communistisch China: zij is economisch gemotiveerd, de wil van het volk wordt genegeerd, zij is maatschappijontwrichtend en dissidente geluiden worden onderdrukt. Hierin zit ook het dubbelzinnige van het verzet van Wilders: als verzet tegen de linkse ‘politiek correcte dictatuur’ en de collectivistische trekken van de sociaal-democratie is zij vrijheidsgericht, maar als reactionaire kracht tegen de maatschappijontwrichtende en chaosscheppende vooruitgang is zij zelf fascistisch en probeert zij de orde (en een geïdealiseerd verleden) te herstellen door middel van repressieve maatregelen (van zware straffen voor misdadigers tot een verbod op de Koran).

De onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting in huidig Europa acht ik bijzonder zorgwekkend en lijkt volgens sommige waarnemers die ook de onderdrukking van het communisme hebben meegemaakt zelfs sterk op die van het communisme gedurende de Koude Oorlog. Onder meer Klaus, president van Tsjechië, en Bukovsky, ex-Sovjetdissident, betogen dat in de Koude Oorlog weliswaar het ‘harde’ socialisme heeft verloren, maar het ‘zachte’ socialisme evengoed heeft gewonnen waarvan de politiek correcte dictatuur even intolerant als de communistische dictatuur is en slechts subtieler qua methode is. Concrete, recente voorbeelden van die onderdrukking zijn de aangiften tegen DeWinter en Wilders vanwege door hun gedane uitlatingen over de islam (met bij DeWinter het risico dat hij bij veroordeling wellicht geen politieke functie meer mag uitoefenen) of het verbod van de anti-islamiseringsdemonstratie in Brussel op 11 september door de burgemeester van die stad, maar ook zonder dergelijke officiële repressieve maatregelen is de politiek correcte dictatuur die zich doorgaans minder formeel openbaart evident: kritiek op met name de islam wordt niet op prijs gesteld en door politici in felle bewoordingen afgekeurd en door de officiële media verzwegen. Mensen met een kritische mening over de islam zetten hun carrière op het spel en lopen een reëel risico te moeten onderduiken voor moslimgeweld, waarbij politici en journalisten niet zozeer het moslimgeweld en de intolerantie jegens de kritische mening maar liever de criticus zelf veroordelen die immers de moslims niet had moeten ‘beledigen’. In werkelijkheid is er meestal geen sprake van beledigen, dat immers intentioneel kwetsen betekent, maar van onbedoeld kwetsen: men uit slechts een mening op grond van de vrijheid van meningsuiting en zoals Mill al opmerkte wordt in een discussie de ander het makkelijkst gekwetst wanneer die geen weerwoord op zo’n mening heeft: vooral een ongemakkelijke waarheid is dus kwetsend. En juist in de islam zijn er veel ongemakkelijke waarheden, bijvoorbeeld het feit dat Mohammed, die een perfect mens wordt geacht te zijn en een voorbeeld voor alle moslims, met een 9-jarig meisje sliep en joden en andersdenkenden vermoordde. Dat Mohammed onfeilbaar wordt geacht houdt verband met het feit dat het Woord van God, de Koran, door Mohammed is opgetekend: twijfelen aan de rechtschapenheid van Mohammed ondermijnt direct de waarheid van het hele geloof. En omgekeerd impliceert kritiek op de islam dat Mohammed een leugenaar was. Daarom is elke kritiek op de islam alsmede elk uittreden uit de islam direct kwetsend voor moslims. Wat moslims kwetst is dan ook niet zozeer de toonhoogte als wel de inhoud zelf (daarom wordt bijvoorbeeld ook Aboutaleb bedreigd, ook al heeft hij nooit iets gezegd wat westerlingen als kwetsend of beledigend zouden herkennen).

Gelukkig wordt qua de reacties van moslimzijde de soep doorgaans niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend: de criticus wordt met rust gelaten en de afvallige wordt niet gedood (ook al is er redelijke consensus bij traditionele islamitische theologen dat op uittreding de doodstraf staat). De meeste moslims zijn tolerant en vredelievend en negeren daartoe de structurele oproep tot strijd tegen de ongelovigen in de Koran, de Hadith en door sommige geestelijke leiders. Maar de gevestigde, politieke orde neemt het kwetsen van moslims, dus alle kritiek op de islam, zeer hoog op en is daarmee zeer behulpzaam jegens de moslimfundamentalisten die eveneens elke ‘aanval’ op de islam zeer serieus nemen. Omdat de posthistorische politiek al het lijden en dus ook het kwetsen alsmede elke oprisping van megalothymotisch nationalisme en ‘xenofobie’ wil uitbannen, heeft zij van het bestrijden van kwetsende uitlatingen jegens de islam een morele topprioriteit gemaakt. Zij haalt daarbij kwetsen en beledigen door elkaar en daarmee de democratie onderuit: beledigen (Engels: insult) is asociaal en doorgaans weinig constructief, maar ‘the right to offend’ (zoals Hirsi Ali de grote liberale filosoof Mill napraatte) is onmisbaar in een democratie: afgezien van de volstrekte subjectiviteit van het zich gekwetst voelen, kan juist een belangrijke waarheid zeer kwetsend zijn zodat een einde aan kwetsen ook een einde van alle politieke oprechtheid en vooruitgang impliceert. Het is deze onoprechtheid waardoor de politieke correctheid de waarheid onderdrukt en de burger vernedert. In feite betekent een verbod van kritiek op de islam dat alleen de islam waarheid is (zoals de communistische politiek correcte dictatuur impliceerde dat alleen het communisme waarheid is). Er lijkt een merkwaardige Europese links-islamitische dictatuur te ontstaan als sluitstuk van een bondgenootschap die zich op twee niveaus eerder heeft ontwikkeld.
Ten eerste is er de gemeenschappelijke ideologische strijd tegen het westerse liberalisme en de door hem voortgebrachte consumptiecultuur zoals die bij links onder meer door de invloedrijke Frankfurter Schule theoretisch werd gefundeerd. Onder meer Marcuse en Roszak hoopten in de jaren ’60 op een tegencultuur van buiten ‘het systeem’ die dat systeem zou kunnen ondermijnen: de moslims zouden wel eens een effectievere tegencultuur kunnen zijn dan de hippies (opmerkelijk genoeg definieerde Roszak daarbij de tegencultuur van de hippies in termen van gemeenschapszin en rituelen: twee kenmerken die ook bij de moslimcultuur opvallen). Reeds tijdens de Koude Oorlog ontstond er een bondgenootschap tussen links en het moslimfascisme: waar de VS zich achter Israël schaarden, koos de Sovjet-Unie partij voor de moslimlanden en werkte bijvoorbeeld de Rote Armee Faktion samen met Palestijnse terroristen. Omgekeerd werden door de samenwerking met links de moslimfundamentalisten diep beïnvloed door het (revolutionair) socialisme: zo streefde bijvoorbeeld de grondlegger van de islamitische revolutie in Iran, Shariati, naar een “islamitisch communisme”. Ook na de Koude Oorlog zien we diezelfde positie bij links: tegen de VS en Israël, voor de Palestijnen en de moslims.
Ten tweede faciliteert het huidige postmodernisme en cultuurrelativisme, dat in feite de huidige linkse ideologie vormt en ook wel “cultureel marxisme” wordt genoemd, de islamistische ideologie bijzonder goed: door middel van de ‘deconstructie’ van alle westerse waarden en het linkse, nazi-achtige respect voor de ‘authentieke’ en zuivere cultuur geeft links alle ruimte aan de ideologie en macht van de moslimfascisten. Links ziet de moslims – zoals het ook de vrouwen en de zwarten ziet – graag als slachtoffer van de onderdrukking en dominantie door de westerse witte man en wil daarom graag de macht van het westen en de witte man breken om ruimte te geven aan de volle ontplooiing van de authentieke islamitische cultuur, daarbij natuurlijk de voorkeur gevend aan de antiwesterse cultuur van de moslimfundamentalisten boven de pro-westerse cultuur van liberale moslims.

Zo is er een enigszins Weimar-achtige situatie ontstaan waarbij alle hoofdrolspelers in de Europese politiek in zekere zin de liberale democratie afwijzen: de liberalen en socialisten, verenigd in de thans dominante sociaal-democratie, die een politiek correcte postdemocratie voorstaan, de reactionaire of conservatieve tegenbeweging en de op de achtergrond meespelende moslimfundamentalisten met hun ‘gekwetste’ moslimgemeenschappen.

5. De toekomst

Fukuyama erkent dat ook het bereiken van de eindfase van het liberale project niet persé vrede betekent. Ten eerste zijn conflicten mogelijk zolang nog niet de hele wereld posthistorisch is geworden en de posthistorische wereld op verschillende manieren met de nog historische wereld te maken heeft (zoals qua oliebelangen en immigratie). Ten aanzien van die historische wereld kan een realistische opstelling, gericht op machtsevenwicht, de meest aangewezene blijven. Maar Fukuyama neemt ook de fundamentelere Nietzscheaanse kritiek serieus: wellicht laat de megalothymos zich niet onderdrukken of sublimeren en zal de mens er altijd naar blijven streven (alleen en in groepsverband) uniek en superieur te zijn en te heersen over anderen: de gelovige zal de superioriteit of waarheid van zijn geloof erkend willen zien, de nationalist die van zijn volk of natie, et cetera. Mogelijk leidt de laatste mens weer tot de eerste mens, keert hij zich tegen de idealen van vrijheid en gelijkheid zodra hij die heeft weten te bewerkstelligen en kiest hij voor oorlog om de oorlog zelf als de vrede te lang heeft geduurd. Bij Hegel betekende de eindfase geen eeuwige vrede, maar zou een kleine oorlog voor elke generatie noodzakelijk zijn om het karakter en de moraal te vormen en om te verhinderen dat de mens een louter op zichzelf en materiële comfort gerichte kleinburger zou worden. Fukuyama memoreert dat de nazi’s om vergelijkbare redenen oorlog om de oorlog zelf prezen: tegen de verveling en het morele verval. Voor het fascisme vormen strijd, oorlogszucht en imperialisme de manifestaties van een gezonde, levenslustige wil tot macht.

Maar met Fukuyama zie ik thans geen belangrijke tendensen in de westerse wereld in die richting. De globalisering inclusief de agressie en bedreiging door het eveneens globaliserende moslimfascisme roept wel een zekere mate van nationalisme en andere thymotische reacties op, maar een echte opstand lijkt niet waarschijnlijk. Tot dit moment lijkt de wil tot revolutie slechts bij moslimfascisten dan wel bij verveelde, gefrustreerde moslimjongeren in achterstandswijken te bestaan. Er heerst wel veel onvrede onder de autochtonen, maar dit leidt vooralsnog slechts tot een steeds massalere wens onder autochtonen om te emigreren: met name dreigt er een exodus van hoogopgeleide Europeanen. Het is echter de vraag hoe een en ander zich ontwikkelt wanneer een grote (waarschijnlijk vanuit de VS geïnstigeerd) economische recessie Europa treft en de Europeaan zijn huidige materiële bestaanszekerheid sowieso verliest.

Politiek zal naar mijn mening echter wel blijven bestaan. Nazi-jurist en -filosoof Schmitt stelde het concept van vriend en vijand als de centrale politieke these en hij lijkt in zekere zin gelijk te hebben: alleen in een postpolitieke of postideologische maatschappij is iedereen een vriend en is er geen strijd meer. Maar zelfs in een in wezen postpolitieke consensusmaatschappij als de onze zien we dat politiek evengoed wordt gemaakt: zowel bij links als bij rechts worden vijanden gecreëerd of in ieder geval groter gemaakt dan ze in werkelijkheid lijken te zijn. Voor de moslimextremisten is het westen de grote vijand en voor Wilders zijn de onaangepaste moslims de grote vijand (en voor links is onder meer Wilders en extreemrechts weer de grote vijand, et cetera). Wanneer zulke verhoudingen polariseren kan dit leiden tot een manicheïstisch wereldbeeld waarbij alles opgezogen wordt binnen het begrip van een kosmische en definitieve strijd tussen het licht en het donker, de waarheid en de leugen, God en Satan. Vooralsnog lijken echter slechts kleine groepen tot dergelijke destructieve visies te kunnen worden verleid en blijft de massa vrij nuchter. Indien Wilders politieke visie nog agressiever wordt zou zijn aanhang snel kunnen slinken.

De moslimgemeenschap in Europa ontwikkelt zich in twee richtingen: opvolgende generaties kinderen van immigranten integreren sowieso steeds meer in onze samenleving, maar deels in de ‘gewenste’ richting van pro-westerse seculiere, liberale waarden en deels in de ‘ongewenste’ richting van antiwesterse religieus-fundamentalistische of extremistische waarden en doelstellingen waarmee deze laatsten veel lijken op rebelse autochtone links-radicale jongeren (daarbij valt op dat juist de meest vrijgevochten, ongelovige en losgeslagen jongeren relatief ontvankelijk blijken voor de radicale moslimbeweging omdat deze hen weer structuur en houvast biedt zonder daarbij de rebelse, antiwesterse houding op te hoeven geven). Beide groepen moslimjongeren verzetten zich daarbij (impliciet) tegen de conservatieve, traditionele waarden van hun ouders. Het is onzeker in hoeverre er daadwerkelijk een ideologische strijd in de immigrantengemeenschap woedt en wat de uitkomst zal zijn. Maar het is duidelijk dat een pro-westerse, liberale en seculiere moslimgemeenschap (met onder meer erkenning van de scheiding tussen kerk en staat en de gelijke rechten van mannen, vrouwen, homo’s, et cetera) de beste kansen op een vredig samenleven met niet-moslims biedt. De westerse secularisering is weliswaar een idee en een product van het christendom (waarbij mogelijk ook zaken als de neerdaling en vermenselijking van God in de figuur van Jezus een belangrijke rol hebben gespeeld), zoals ook de westerse ideeën van vrijheid, gelijkheid en arbeidsethos zijn ontwikkeld vanuit de christelijke slaven- en genade-ideologie, maar het is denkbaar dat moslims deze ideeën overnemen zonder haar specifiek christelijk-theologische bronnen (zoals het westen ze thans ook handhaaft zonder deze bronnen) of deze ideeën uit aspecten van hun eigen cultuur kunnen ontwikkelen. Volgens liberale moslims is dit beslist mogelijk. Zo wijst bijvoorbeeld Tibi erop dat het conflict tussen de islam en het westen voortkomt uit het feit dat zowel de islam als het christendom universalistische religies zijn (met daardoor een onvermijdelijke botsing in een globaliserende wereld), maar dat in dat gemeenschappelijke universalisme ook de sleutel tot de oplossing ligt: juist datzelfde universalistische karakter zal leiden tot een algemeen-humanistisch in plaats van een lokaal-cultureel perspectief op funderende universalistische dus algemeen-menselijke waarden. Een seculariserende islam zou tot dezelfde waarden en grondslagen moeten komen als het christendom zoals die in het westen reeds vorm hebben gekregen in de universele mensenrechten. Zo kan de islam van binnenuit moderniseren zonder voor het westen en zijn specifieke christelijke cultuur te hoeven capituleren. Cliteur spreekt in een vergelijkbaar betoog over een ‘moreel Esperanto’.

Deze secularisering en vrede met het westen zal des te sneller verlopen wanneer het jongerenoverschot in de moslimgemeenschap afneemt en zij dus ‘rustiger’ wordt. Ook het volstrekt falende economische en politieke beleid van moslimfundamentalisten zoals in Iran, het enige land waar de islamitische revolutie is geslaagd en sindsdien de hele moslimwereld – in concurrentie met Saoedi-Arabië – heeft geïnfecteerd met het islamistisch virus), of van Hamas in Palestijns gebied zal het enthousiasme voor zo’n revolutie onder jongeren in andere landen doen afnemen (maar ook vrede tussen Israël en de Palestijnen zal veel opgeklopte woede en animo voor de jihad kunnen wegnemen). De (linkse) gevestigde politieke partijen doen het liefst alsof er niets aan de hand is om zo “de boel bij elkaar te houden” en om zich electoraal niet aan het gevoelige thema te hoeven branden, dat wil zeggen dat men moslimextremisme afdoet als incidenten, het werk van een paar idioten, in plaats van de onderliggende structurele crisis, waarbij de globalisering heeft geleid tot botsingen tussen historische stadia, te erkennen. Het ironische is dat deze struisvogelpolitiek waarschijnlijk uiteindelijk wel als winnaar zal verschijnen, omdat de storm die nu woedt binnen enkele decennia toch wel zal gaan liggen en de moslimgemeenschap vroeg of laat toch zal liberaliseren, zodat men dan kan zeggen: “zie je wel, er is niks aan de hand”. De ironie is ook dat de huidige transformatie van de maatschappij heel wel te verdedigen is met daarbij de huidige spanningen als de vervelende maar tijdelijke en noodzakelijke prijs die voor de vooruitgang moet worden betaald. Maar door nu het structurele probleem en de storm die dat teweeg heeft gebracht te negeren, te ontkennen, te bagatelliseren en te censureren in plaats van de context en oorzaken van het probleem uit te leggen en in het debat te verdedigen, gaat de politiek de polarisering niet tegen zoals zij zelf denkt maar verdiept zij juist de huidige crisis, creëert zij verwarring, ongenoegen en politieke ruimte voor zowel reactionair rechts als het moslimfascisme, toont zij minachting voor de burger die het probleem op de agenda wil zien en zet zij de democratie onder druk. Het lijkt me politiek verstandiger het probleem te erkennen en daar een positieve oplossing voor te formuleren.

Van belang daarbij is dat burgerlijke vrijheid – en het universele en gelijke recht op die vrijheid – wordt erkend als de primaire politieke waarde. De Tocqueville en Nietzsche hebben beschreven hoe de vrijheid en de menselijke waardigheid uiteindelijk worden vernietigd wanneer democratische gelijkheid op zichzelf het doel van politiek wordt zoals in een communistische of politiek-correcte dictatuur. De garantie op vrijheid kan ook een cruciale blokkade tegen het fascisme vormen, dus zowel tegen autochtoon extreemrechts als tegen de moslimextremisten. Het hervinden van deze fundamentele politieke waarde kan de crisis van Europa oplossen. Europa moet het multiculturalisme afzweren en zijn ontwikkelde waarden van secularisme, democratie en vrijheid verdedigen.

Deze waarden zullen uiteindelijk universeel menselijk blijken zoals onder meer Fukuyama en Tibi betogen. Zij komen voort uit het mechanisme van de rationalisering van de economie en de idee van vrijheid. Elk volk zal in zijn ontwikkeling uiteindelijk bij deze economische en politieke rationele vrijheid uitkomen, al zal daarbij elke volk typische elementen van zijn eigen cultuur behouden en zo een door eigen cultuur gekleurde kapitalisme en democratie ontwikkelen. Door de schokgolf die het door het westen opgelegde kapitalistisch en democratisch globalisme in de wereld heeft teweeggebracht is er in onze tijd een tijdelijke mondiale tendens naar op lokale religie, cultuur en tradities gebaseerde politiek ontstaan. Zoals behalve Fukuyama ook Zakaria betoogt, is een overhaaste en geforceerde democratisering zonder een gezonde interne basis van institutionele vrijheid en moderne economie juist funest voor het wortelschieten van de democratie. Een opgelegde democratisering (zoals in Irak) of postdemocratisering (zoals in Europa) wanneer de samenleving er nog niet klaar voor is, werkt slechts ontwrichtend. Misschien is een realistische wereldpolitiek die bij een nog historische wereld past, gebaseerd op een machtsevenwicht tussen verschillende culturele machtsblokken, momenteel de beste strategie. Maar mogelijk is zij door de vergaande globalisering reeds niet meer realistisch en zij is zeker niet geschikt voor de lange termijn. Een uiteindelijke eeuwige wereldvrede kan slechts bewerkstelligd worden op basis van de universele en rationele beginselen van de liberale democratie. Net als Fukuyama benadrukt ook Zakaria dat het probleem uiteindelijk niet cultureel maar politiek-economisch is: zo zal de islam vanzelf naar de privésfeer worden gedrukt door de moslims wanneer de politiek en economie in hun landen op orde zijn (waarbij Zakaria in het spoor van Lewis opmerkt dat de scheiding van kerk en staat een christelijke remedie voor een christelijk probleem was, welk probleem echter juist in Iran door de islamitische revolutie is herschapen, zodat ook de oplossing wellicht in Iran wordt ontwikkeld). Maar die rationalisering kan niet door het westen worden opgelegd: zij moet in elke cultuur afzonderlijk van binnenuit worden ontwikkeld zodat de globalisering vanuit alle afzonderlijke maar inmiddels qua ontwikkeling gelijke delen van de wereld zal worden bewerkstelligd.

De linkse geest

Voorwoord

Als filosoof vormt de reflectie over de werkelijkheid en de vele, vaak intrigerende ideeën daarover, de voornaamste bron van mijn levensvreugde. Deze passie komt voort uit een diep verlangen de werkelijkheid te doorgronden en het doel is dan ook inzicht in de kosmos, de natuur, de maatschappij en de menselijke geest.

Ook het politieke vraagstuk hoe de samenleving moet worden ingericht en wat de grondslag moet zijn van politiek, heeft mijn warme filosofische belangstelling. Maar bij mijn onderzoek van de politiek bezorgt de linkse geest mij hoofdbrekens. Het is niet zo dat het linkse denken mij vreemd is: ikzelf was in mijn jeugd uitdrukkelijk links waarbij ik me sterk aangetrokken voelde tot het marxisme. En eerlijk gezegd vind ik het marxisme nog steeds een opwindende, fascinerende doctrine met mogelijk een kern van waarheid. Maar huidig links – dat nog altijd de sporen van de Koude Oorlog draagt en daarbij nog altijd vele opvattingen van het marxisme onbewust heeft geïncorporeerd, maar tegelijkertijd de ideologische veren heeft afgeschud – acht ik moeilijk te doorgronden. In deze essay zal ik toch een poging wagen en huidig links daarbij met het marxisme vergelijken.

————————-

Politiek zoals wij die kennen heeft haar belangrijkste oorsprong in de Franse revolutie. Deze door Verlichtingsfilosofie geïnspireerde revolutie bracht een schisma teweeg tussen de ‘progressieven’, die politieke idealen van met name vrijheid en gelijkheid wilden realiseren, en de ‘conservatieven’, die daarentegen de werkelijkheid (de bestaande orde) idealiseerden en wezen op de gevaren van ontwrichting van de samenleving en ontworteling van het individu als gevolg van de gepropageerde vooruitgang en individualisme. Onder invloed van het ontstane bewustzijn van ontwikkeling en maakbaarheid namen de belangrijkste politieke ideologieën als antwoorden op de ontwikkeling van de maatschappij – liberalisme, conservatisme, socialisme en anarchisme – in de 19de eeuw hun bekende vormen aan (in de 20ste eeuw nog aangevuld met het fascisme).

Marx en Engels verwezen reeds in hun beroemde Communistisch Manifest naar het noodzakelijk revolutionaire karakter van de ontwikkeling van de maatschappij: de radicale burgerlijke revolutie van 1789, waarbij de burgerij de macht van de aristocratie met geweld had toegeëigend en de universele (maar slechts formele) gelijkheid der mensen heeft gevestigd, heeft op grond van het egoïsme van het individu en zijn geldzucht als haar enige waarde (gepresenteerd als ‘vrijheid’) een nieuwe klassenstrijd gecreëerd, waarbij in de toekomst het proletariaat de kapitalisten zal onteigenen en eigendom überhaupt en daarmee de klassenstrijd zal afschaffen. Kenmerkend voor de politieke theorie van Marx is dat hij politiek als idee, dus als filosofie, verwerpt: niet het idee of bewustzijn bepaalt de werkelijkheid (zoals bij Hegel), maar veeleer bepalen de materiële, sociaal-economische omstandigheden het bewustzijn (in feite moet men de tegenstelling tussen materie en bewustzijn en tussen object en subject bij Marx wat genuanceerder interpreteren: de tegenstelling wordt door de praktijk getranscendeerd). In het bijzonder verwierp hij het socialisme van zijn tijd, dat louter vanuit idealen, dus ideeën, de samenleving wilde herinrichten en dat daarom utopisch werd genoemd. Marx heeft het (Hegeliaanse) idealisme “op z’n voeten gezet”: in werkelijkheid moeten de economische condities vervuld zijn voor een te slagen socialistische herinrichting van de samenleving waarbij de historische ontwikkeling noodzakelijk want op grond van (inzichtelijke) wetten verloopt. Een zorgvuldige bestudering van de ontwikkeling van het kapitalisme zou laten zien dat dit systeem van uitbuiting van de arbeiders en cumulatie van kapitaal haar eigen graf graaft: de socialistische revolutie is (uiteindelijk) onafwendbaar. Marx noemde z’n leer (historisch) materialisme om enerzijds te benadrukken dat z’n leer geen filosofie maar (empirische) wetenschap is en anderszijds te benadrukken dat de – sociale – werkelijkheid niet wordt bepaald door ideeën (idealisme) maar door de materiële omstandigheden. Kennis en waarheid vormen daarbij geen representaties van een onafhankelijk-objectieve werkelijkheid, maar worden gevormd door de praktijk, in het bijzonder door de arbeid van de mens waarin object en subject, zijn (natuurproces) en bewust zijn (productieproces) tot eenheid komen. Theorie en praktijk vormen ten slotte een eenheid in het politiek activisme.

Ook al vervangt Marx de filosofie uitdrukkelijk voor (onfeilbaar geachte) wetenschap als grondslag van zijn politieke theorie, zijn theorie bezit evengoed een filosofische kern in de vorm van het op grond van Hegel ontwikkelde historisch materialisme dat de geschiedenis opvat als een dialectisch, rationeel begrijpelijk en noodzakelijk proces (met daarbij de materialistisch-antropologische invloed van Feuerbach en de economische theorieën van Smith en Ricardo die de aandacht op de mens en de productieverhoudingen als bron van die ontwikkeling richtten). Hierdoor lijkt Marx’ leer paradoxaal: het is een filosofie die de filosofie verwerpt, maar dit is wellicht een vrij universeel kenmerk van het 19de eeuwse denken waarbij pogingen tot metafysische reflecties worden ingeruild voor wetenschap, vermeende zekerheid en gerichtheid op menselijk-maatschappelijke en historische ontwikkeling (met in de 20ste eeuw vervolgens veelvuldige pogingen om filosofische problemen als schijnproblemen te ontmaskeren en te elimineren). Marx mag zijn theorie als wetenschappelijk hebben opgevat, de wetenschappelijkheid ervan is op z’n minst omstreden te noemen. Onder meer Popper heeft de pseudo-wetenschappelijkheid van onder meer het marxisme als een nauwelijks falsifieerbare doctrine aan de kaak gesteld (maar ook bijvoorbeeld de eveneens zeer invloedrijke psycho-analyse valt in dezelfde categorie) en deze gecontrasteerd met Einsteins uitdrukkelijk falsifieerbare relativiteitstheorie (met onder meer de periheliumbeweging van Mercurius en de buiging van licht als gevolg van gravitatie als cruciale tests) als model van echte wetenschap.[1] Vanwege deze omstreden wetenschappelijkheid en filosofische kern is Marx’ leer toch speculatief en zelfs als een ideologie bij uitstek opgevat (bij Marx verwees een “ideologie” juist naar de functionele bovenbouw van ideeën van een bepaalde klasse vanuit diens klassenbelangen). Marx stelde dat z’n leer wel een soort filosofie is, maar dan geen burgerlijke filosofie die de werkelijkheid slechts interpreteert maar een revolutionaire eenheid van theorie en praktijk vormt (zoals ook het marxisme als wetenschap de verborgen binnenkant der dingen beschrijft in tegenstelling tot de burgerlijke wetenschappen die de buitenkant der dingen beschrijven). De waarheid ervan moet in de praktische ervaring worden beoordeeld (zoals overigens bij elke wetenschappelijke theorie), waarbij duidelijk is dat de revolutionaire praktijk in de verschillende communistische landen niet onverdeeld de waarheid van het marxisme hebben kunnen tonen. Ook het later door Engels uitgewerkte dialectisch materialisme, met onder meer de wet van het conflict en interpenetratie van tegenstellingen, heeft de paradox nooit helemaal kunnen oplossen.

Velen van ons herinneren zich de Koude Oorlog dan ook als een felle discussie tussen de aanhangers van de westerse versus oosterse “ideologie”. De marxisten probeerden het klassenbewustzijn van de arbeiders te ontwikkelen, gingen in debat en verdedigden (en modificeerden) het marxistische gedachtegoed. Daarbij had het marxisme echter veelal meer aantrekkingskracht op de intellectuelen dan op de arbeiders, hetgeen bevestigt hoe sterk het marxisme in de praktijk werd beleefd en beoefend als politiek ideaal en filosofie in plaats van als uitdrukking van de sociaal-economische werkelijkheid. In feite had Lenin het marxisme al erkend als filosofie (Lenin was zelf erg geïnteresseerd in filosofie) en verklaarden de meeste socialistische staten het marxisme-leninisme als hun officiële filosofie.

Na de val van het communisme werd het marxisme doorgaans als achterhaalde theorie opgevat: weliswaar waren er in linkse, progressieve kring altijd al mensen geweest die het communisme net zo fel bekritiseerden als het kapitalisme (waaronder de Frankfurter Schule en prominenten als Russell en Einstein) en vormden de flower power beweging in het westen, de Praagse lente en de Chinese culturele revolutie – alle in 1968 – een romantische breuk met het rationalistische vooruitgangsgeloof van de modernistische ideologieën zoals ook het marxisme, na de val van de Muur leek het marxisme definitief als verliezer van de Koude Oorlog afgedaan. 1968 was niet alleen het geboortejaar van een nieuw romantisch soort links, maar tevens een doorbraak van het postmodernisme, een term uit de kunstwereld maar weldra ook toegepast op de gehele cultuur inclusief filosofie en politiek. Het postmodernisme met haar kritiek op het rationalisme en totalitarisme van het modernisme maakte de comeback van opeens weer als respectabel opgevatte religie op het wereldtoneel mogelijk, zoals de (weliswaar mede door het communisme geïnspireerde) islamitische revolutie in Iran en de politieke doorbraak van de door fundamentalistisch protestantisme geïnspireerde “zwijgende meerderheid” met Reagan als exponent in de VS lieten zien.

In het postmodernisme verloor het begrip ‘waarheid’ haar objectieve en universele betekenis, hetgeen met name veel linkse mensen wel een aantrekkelijke gedachte leken te vinden na de politieke nederlaag van het marxisme: het postmodernisme leek immers bij voorbaat elke alomvattende ideologie te ondermijnen en het individu en de cultuur terug te werpen op hun eigen, lokale “waarheid” (in zeker opzicht zit het (cultuur)relativisme ook al in een bepaalde interpretatie van Marx’ begrip van bewustzijn als bepaald door de sociaal-materiële constellatie zoals dit verwant is aan het subjectivisme van Kant en andere idealisten waarvan de wortelen in onder meer Locke te vinden zijn – dit in tegenstelling tot de tijdens de Koude Oorlog dominante interpretatie door Engels en Lenin die de geest als een afspiegeling van de objectieve, materiële werkelijkheid opvatte). Zoals ook de romantische prioritering van gevoel en natuur boven rede en cultuur (zoals invloedrijk vorm gekregen bij Rousseau) altijd een grote aantrekkingskracht heeft uitgeoefend, zo zijn ook scepticisme en subjectivisme altijd aantrekkelijke, veilige vluchthavens vooral na de ineenstorting van grote systemen en oude zekerheden. In veel linkse geesten lijkt het subjectivisme stevig post gevat: men beschouwt en verdedigt de eigen standpunten als legitieme, onwrikbare “eigen waarheden” die men dient te respecteren zoals men ook elk geloof dient te respecteren. Immers, alles is uiteindelijk toch “een kwestie van geloof” en iedereen is toch gelijk?

Wat betreft de politiek ontstaat hierdoor een paradoxale situatie: enerzijds klemt men zich vast aan het door het postmodernisme herleefde persoonlijk-subjectivisme, anderszijds wil men die persoonlijke opvattingen politiek verwerkelijken zodat men die toch ook moet objectiveren om geen rekening te hoeven houden met de subjectieve opvattingen van andersgezindten. Zo is ook een conflictueuze opvatting ontstaan met enerzijds een nationaal multiculturalisme (alle culturen in een land zijn gelijkwaardig) en anderszijds een mondiaal universalisme (bijvoorbeeld qua mensenrechten). Mogelijk doet men daartoe een soort Humeaans beroep op een universeel-menselijk moreel orgaan, zodat bij ontwikkelde, rechtgeaarde mensen het subjectieve gevoel van goed en kwaad identiek moet zijn. Maar helaas denkt links niet meer zo veel na en zeker niet over zichzelf, zodat we naar de psychologische gronden slechts kunnen gissen. Het is zeer goed mogelijk dat er dan ook helemaal geen rationele rechtvaardiging plaatsvindt: het gevoel van absolute subjectieve zekerheid (men kan immers niets zeker weten behalve z’n eigen voorstellingen) in combinatie met het typisch linkse gevoel van politieke urgentie overweldigt volledig de rationele, objectieve onzekerheid.

Vanuit de sterke subjectieve emotie van verontwaardiging en urgentie wil links dan ook niet bij het rationaliserende denken stilstaan maar vooral onmiddellijk ingrijpen in de wereld: macht verwerven en actievoeren wordt aantrekkelijker gevonden dan het debatteren en leveren van onderbouwingen. Huidig links lijkt zich zo sterk te hebben vereenzelvigd met (het tweede deel van) de beroemde 11de Feuerbachstelling van Marx en Engels: “de filosofen hebben de wereld alleen maar verschillend geïnterpreteerd, het komt er echter op aan de wereld te veranderen”. Ditmaal moet echter niet de filosofie (politiek) gerealiseerd worden, maar slechts het eigen inzicht en sentiment.

Maar alhoewel huidig links nog veel opvattingen gemeen heeft met het marxisme (die immers grotendeels de theorie van het socialisme heeft geleverd), is er juist ten aanzien van de marxistische ambivalentie met betrekking tot de rol van het idee in de politiek met het postmodernisme een verschuiving naar het pre-marxistische tijdperk ontstaan. Marx wilde slechts vertrouwen op wetenschappelijke wetmatigheid en bekritiseerde de utopische socialisten in hun opvatting dat christelijke ethiek en idealen voldoende grondslag voor politieke hervorming leveren: hedendaags links steunt weliswaar graag op de economische wetenschap (de typisch modernistische obsessie voor economie en de materiële omstandigheden van de mens bij links, waarbij bijvoorbeeld van criminelen slachtoffers worden gemaakt, lijkt een blijvende erfenis van het marxisme) en – mede door de afnemende invloed van de Frankfurter Schule tegenwoordig in mindere mate – de sociologie, maar slechts voor zover deze hun standpunten kunnen bevestigen. In het algemeen koestert links een diep, en zogenaamd door het postmodernisme bevestigd, typisch romantisch wantrouwen tegen de wetenschap. De wetenschappelijk-technologische mens wil immers zijn omgeving beheersen in plaats van in harmonie met die omgeving leven, met alle desastreuze gevolgen van dien voor de wereld en uiteindelijk ook de mens zelf.

Theorievorming of theoretische reflecties zijn dan ook niet meer populair bij links, hetgeen na het afschudden van de ideologische veren heeft geleid tot de inmiddels veelgenoemde intellectuele leegte op links (Wouter Bos verwoordde nog niet zo lang geleden die intellectuele leegte heel adequaat met zijn opmerking dat hij alleen maar het leven van de mensen een beetje beter wilde maken). Marx schiep een filosofie of in ieder geval een grondslag voor het socialisme: die grondslag en theoretische onderbouwing is met de (ogenschijnlijke) nederlaag van het marxisme verloren gegaan. Net als bij de utopische socialisten lijkt het hedendaagse linkse gedachtegoed gebaseerd op louter emotie en geloof, waarbij door de postmodernistische versnippering meer dan in Marx’ tijd de emotie persoonlijk en de geloofsovertuiging willekeurig is geworden. De grondslag van standpunten en politiek optreden is daarmee in wezen identiek geworden met die van despoten: het is mijn wil. Dat het een ‘sociale’ in plaats van egoïstische wil zou zijn, kan daar niet aan afdoen: de politiek wordt hoe dan ook opgevat als louter een machtsstrijd. Dit brengt de paradox met zich mee dat links in theorie het recht van de sterkste principieel afwijst maar ‘m evengoed zelf principieel in de praktijk brengt.

Het despotische karakter van huidig links blijkt duidelijk uit haar onderdrukking van de politieke vrijheid van meningsuiting, dus de “politiek correcte dictatuur” waarbij links de democratie niet opvat als een formeel en leeg kader maar als een inhoudelijk emancipatoir dus links programma (zodat opvattingen die niet sporen met dat linkse programma als ‘ondemocratisch’ uit het democratische debat kunnen worden gestoten). Maar ook een rondgang langs discussieforums op internet laat een schokkend beeld van de (in)tolerantie van het links electoraat zien: ontremd door de anonimiteit toont het behalve grote intellectuele leegheid vooral een diepe onverdraagzaamheid van waaruit welhaast structureel andersdenkenden worden uitgescholden en soms zelfs bedreigd. Die onverdraagzaamheid als effect van het verbale geweld is ongetwijfeld mede een direct gevolg van het gebrek aan intellectuele grondslag en dus argumenten. Maar ook de inhoudelijke, typisch linkse invulling van het begrip ‘democratie’ speelt een rol, zodat discriminatie als ondemocratisch wordt geïnterpreteerd: waarschijnlijk onder invloed van de immigranten uit de mediterrane cultuur, eist links daarbij vooral respect voor de verschillende uitheemse bevolkingsgroepen die de huidige multicultuur vormen en noemt gebrek daar aan onverdraagzaamheid (zodat bij onvoldoende betuigd respect alle nazi-vergelijkingen weer uit de kast kunnen en de onverdraagzaamheid van links jegens de respectlozen een rechtvaardiging in WO II lijkt te krijgen). Ik volsta hieromtrent met een verwijzing naar Voltaire, de vader van onze moderne verdraagzaamheid, die zelf echter genoegzaam demonstreerde dat respect en tolerantie twee geheel verschillende zaken zijn.

Het despotisme was natuurlijk ook het marxisme niet vreemd. De verschillende op het marxisme gebaseerde politieke regimes in 20ste en 21ste eeuw kennen allemaal een politiek correcte dictatuur en intolerantie jegens andersdenkenden. Marx’ “dictatuur van het proletariaat” (of de ‘volksdemocratie’ met daarbij democratie opgevat als het socialistische programma) en leerstuk van de historisch noodzakelijke ontwikkeling naar de communistische samenleving waar de mens weer een volledig in plaats van een één-dimensioneel mens is, maakt een rechtvaardiging van de onderdrukking van de vijanden van het volk en haar vooruitgang ook makkelijk. Opvallend is ook de diepe minachting die Marx zelf in de omgang met andersdenkenden zou hebben gehad. Daarbij zou Marx de andersdenkende systematisch hebben bespot en onzuivere motieven aangewreven (een mogelijk typisch links trekje dat we ook volop in actie tegen Fortuyn, Hirsi Ali en Wilders hebben gezien: de belangstelling voor en veronderstelling van duistere motieven en verborgen structuren verklaart ook de grote linkse belangstelling voor Freud en diens psycho-analyse). En zoals critici binnen de huidige linkse beweging geen stem krijgen, wees ook Marx elke vorm van zelfkritiek binnen de beweging af (in tegenstelling tot mede-jonghegeliaan Bauer die alleen door het voorstel tot een zelfkritische houding al heftig met Marx in aanvaring kwam). Waar de onverdraagzaamheid dezelfde is, daar is de gewelddadigheid van het marxisme echter vele malen groter dan bij huidig links (ook dat heeft huidig links gemeen met het utopisch socialisme dat eveneens doorgaans vreedzaam was). Marx was bepaald niet vies van geweld: niet alleen verwachtte hij dat de overgang naar een socialistische maatschappij door middel van een bloedige revolutie zou plaatsvinden, hij was daarbij een expliciet voorstander van het uitoefenen van zware terreur door de arbeiders na de revolutie!

Maar al met al zou Marx het hedendaagse linkse gedachtegoed net zo verachten als het utopisch socialisme van zijn tijd. Want in plaats van op gedegen wetenschap lijkt dat gedachtegoed opnieuw louter gebaseerd op persoonlijk en willekeurige emotie en geloofsovertuiging. Marx zou waarschijnlijk niets moeten hebben van de huidige socialistische bewegingen met hun kinderlijk-idealistische en tegelijkertijd paternalistische gedram vol romantische sentimentaliteit en christelijk moralisme. Daarbij zou hij overigens niet alleen het pacifisme maar ook het terrorisme als de agressieve tegenhanger van datzelfde romantisch-dynamische links afwijzen (en z’n conflict met Bakoenin toonde z’n afkeer van anarchisme).

Als intellectueel heb ik heimwee naar de Koude Oorlog. Weliswaar wordt juist ook het marxisme tegenwoordig vrijwel altijd voorgesteld als een religie: niet alleen bezit het impliciet de christelijke waarden en doeleinden van universele gelijkheid, de macht aan de onderdrukten en het leerstuk der naastenliefde en broederschap en bijna expliciet de structuur van de Bijbelse geschiedenis van de wereld (met Marx als profeet en het communisme als 1000-jarig rijk van Christus en herstel van de paradijselijke oertoestand), het biedt een verklaring van de menselijke geschiedenis en de menselijke natuur, het biedt een zin om voor te leven en een betekenis van het lijden in de wereld, het belooft een paradijs waarin de mens van z’n zonden zal zijn bevrijd en hij een nieuw en volledig mens zal zijn. Maar het was een geloof dat zich rationalistisch en wetenschappelijk voordeed en waarmee je in discussie kon. Sterker nog, als echte evangelisten zochten de marxisten overal het debat op om van hun geloof te getuigen en om de ander met argumenten te bekeren. Door de rationalistische verpakking leverde dit een enorme intellectuele stimulans voor het politieke debat. Die intellectuele stimulans mis ik in het huidige politieke debat met links: in het huidige debat komt links doorgaans niet verder dan uit emotionele verontwaardiging en intellectuele machteloosheid de tegenstander als ‘dom’ en ‘minderwaardig mens’ pogen te diskwalificeren, zodat het debat zonder intellectuele strijd kan worden beëindigd. Links zet daarbij al te graag in op een post-ideologische politieke praktijk waar de politieke publieke arena is vervangen door deskundige beleidsmakers en diplomatieke onderhandelaars in achterkamertjes. Maar ik denk dat het beëindigen van het publieke, intellectuele debat en daarmee de openlijke strijd der ideeën het einde van de democratie betekent, zodat ik links oproep haar intellectuele leegte te vullen en de politieke arena opnieuw te betreden, desnoods door middel van een (neo-)marxistische revival zodat we die af en toe al zien in de antiglobalistische beweging.

—————————-

Nawoord

Het moderne tijdvak culmineerde in Kant. Zijn filosofische revolutie inspireerde met name Duitse denkers tot hemelbestormende, allesomvattende systemen en geniale ideeën. De 19de eeuw was als oogst van de bevrijding door de Verlichting de eeuw van het genie en de vooruitgang. De mensheid zou haar eindbestemming bijna hebben bereikt, haar problemen spoedig opgelost. De 20ste eeuw kan men samenvatten als de noodzakelijke nuancering van de grootse maar robuuste ideeën van de 19de eeuw; een even fijnzinnige als eroderende nuancering die uiteindelijk zou leiden tot scepsis en ontnuchtering en zo tot het postmodernisme van deconstructie en anti-totalitair denken.

Nietzsche is als de ‘filosoof met de hamer’ de vader van het huidige deconstruerende postmodernisme. Met name voor de huidige linkse beweging geldt dat het huidig postmodern tijdvak het tijdperk van Dionysos is. Deze is echter inmiddels ontaard in intellectueel nihilisme en toenemend barbaars geweld. Nietzsche besefte dat de cultuur ook Apollo nodig heeft: de mens en haar samenleving heeft ideeën, rationalisatie en civilisatie nodig, zelfs als we weten dat die ideeën en rationaliseringen noodzakelijk leugens en het idee van vooruitgang een illusie zijn zoals Dionysos ons leert. De Dionysische roes heeft inmiddels haar bevrijdende werking gehad: ik pleit thans voor heroprichting van een meer apollonische cultuur.



[1] Het is echter de vraag of Poppers kritiek wel zo vernietigend is. Het marxisme stelt dat een kapitalistische maatschappij noodzakelijk z’n eigen graf graaft, hetgeen volgens sommigen nog steeds een wetenschappelijke waarheid is. Marx zou slechts de tijdsspanne waarin de spontane omwenteling moet voltrekken verkeerd hebben ingeschat. Deze verdedigers van Marx kunnen wijzen op de vaderen der evolutiegedachte die de tijdsspanne die het leven voor haar evolutie nodig heeft ook meestal geheel verkeerd hadden ingeschat, terwijl die evolutiegedachte als wetenschappelijke waarheid evengoed een plaats in het centrum van de hedendaagse biologie heeft gekregen. Denkers als bv Lenin en Baran benadrukken dat – in de lijn met Marx die hierop al heeft gezinspeeld – westerse naties het einde van hun kapitalistische systeem slechts tijdelijk hebben afgekocht door de uitbuiting te exporteren naar onontwikkelde landen (die daardoor in een toestand van onderontwikkeling zijn gevangen). De klassenstrijd is daarmee gemondialiseerd met een groeiend verschil tussen de rijkdom van één deel van de wereld en de armoede van het andere deel van de wereld. Poppers kritiek richt zich echter vooral op de metafysische kern van het marxisme die wordt ondermijnd door Poppers argument dat het onmogelijk is de toekomst te voorspellen. Maar in de praktijk lijkt me het eveneens door Popper beschreven ‘gewapend dogmatisme’ van stelsels als dat van Hegel en Marx problematischer: het marxisme vrijwaart zich van elke kritiek die de leer zou kunnen ondermijnen doordat een ieder die geen marxist is volgens dat marxisme een ‘vals bewustzijn’ zou hebben.

1 August 2007
By on 20:28
Een kritische beschouwing naar aanleiding van de klimaathype

1. Inleiding

Al Gore’s An Inconvenient Truth heeft een heuse mondiale klimaathype veroorzaakt. Reeds eerder zijn dergelijke ‘alarmisten’ erin geslaagd het milieubeleid van de Europese Unie volledig te bepalen. Omdat de (alarmistische) stand van zaken daarbij steevast dogmatisch, bij wijze van een vermeende volledige consensus onder klimatologen, wordt voorgesteld, vraagt dit om een kritisch tegengeluid. Zonder in wetenschappelijke zin partij te willen of kunnen kiezen (voor een eigen standpunt inzake de opwarming van de aarde beschik ik over te weinig klimatologische kennis en ik zal dan ook niet op de technische resultaten van het wetenschappelijke onderzoek ingaan), probeer ik in dit essay een globale kritische reflectie op het onderwerp als politieke kwestie te geven zoals die op basis van de gangbare argumenten van alle partijen in het debat kan worden gemaakt.

2. De wetenschap is niet links of religieus-romantisch geïnspireerd maar de milieulobby wel

Allereerst wil ik even stilstaan bij de vraag hoe het ‘milieubewuste’ standpunt eigenlijk is ontstaan. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat de mensen die in politieke zin zo heftig pleiten voor maatregelen tegen de opwarming van de aarde – de ‘alarmisten’, de ‘groenen’, etc., maar laten we ze hier de milieulobby noemen – tot die aanbeveling zijn gekomen als gevolg van de bestudering van wetenschappelijke rapporten over het klimaat. Volgens mij is het verband causaal omgekeerd. De linkse milieubeweging bestaat immers vooral uit mensen die niets van (exacte) wetenschap moeten hebben en die dus in de regel helemaal geen wetenschappelijke rapporten zullen hebben bestudeerd. Juist de wetenschap heeft immers geleid tot kernwapens en milieuvervuiling die het menselijk bestaan bedreigen. De hedendaagse milieubeweging heeft haar wortelen waarschijnlijk met name in de Romantische periode aan het begin van de 19de eeuw toen de ecologie en het klimaat nog helemaal geen onderwerp van wetenschappelijk onderzoek waren. Het is dan ook waarschijnlijk veeleer zo dat de hedendaagse milieulobby vanuit eenzelfde christelijk-ethisch waardensysteem en romantisch anti-modernistisch, anti-wetenschappelijk, anti-industrieel en anti-kapitalistisch sentiment sowieso vindt dat de mens van de – in hun beleving min of meer heilige – aarde moet afblijven (dan wel deze slechts met zorg dient te beheren zoals opgedragen door God) en dat de (met name westerse) mens die als Prometheus tegen God rebelleert en Zijn heilige schepping voor eigen gewin heeft bezoedeld en misbruikt, boete moet doen (gestraft moet worden). De natuur is niet louter product of grondstof voor de mens maar is zelf subject en productief; de mens maakt zelf deel uit van de natuur en is er een product van. Het steunt daarbij op de Verlichtingsgedachte dat de mens als (rationeel) natuurwezen geheel van de Natuur (dus Rede) afhankelijk is en daarmee in harmonie dient te leven, hetgeen in de Romantiek – gepreludeerd door Spinoza en Rousseau – de fysieke natuur goddelijk maakte en het verlangen deed opwellen geheel één met de natuur te worden. Het doet ook wel een beetje denken aan Comte’s positivistische religie uit diezelfde periode met het Grote Wezen (de Mensheid), de Grote Fetisj (de Aarde) en het Grote Milieu (de Ruimte) als de Heilige Drie-eenheid. En als men ziet hoe gretig zelfs de marxisten het ecologisch standpunt van de groenen hebben overgenomen, maakt dit toch sterk de indruk dat links zich vooral verlekkert op de eisen van de groenen omdat het hen een stok geeft om de ‘vijand’, dat is de kapitalist en de blanke man in het stereotype van onderdrukker – en nu ook vervuiler, te kunnen slaan. In feite is het ook vooral de linkse garde van marxistische snit die – werkloos geworden na de val van het communisme – in de vorm van de milieubeweging hun politiek activisme heeft weten voort te zetten. Daarbij wordt niet meer de doctrine van de onontkoombare revolutie van het proletariaat als dreiging (“het spook van het communisme”) en wetenschap voorgesteld en gepredikt, maar wordt ditmaal de doctrine van de allesbedreigende klimaatverandering als wetenschap voorgesteld en gepredikt. Deze in wezen ethisch-politieke doctrine heeft vanwege haar enorme invloed in ieder geval de klimaatwetenschap in een tunnelvisie gedreven. Marx zelf was echter niet ecologisch begaan, maar hamerde juist op het belang en de voordelen van verstedelijking, industrialisering en hoge productie, waarvan de buitengewoon milieuvervuilende gevolgen in voormalig Sovjet-Unie welbekend zijn; eerst met de nazi’s ontstond er een romantisch geïnspireerd socialisme met een uitdrukkelijk groene agenda.

Het religieuze element was bij Live Earth sterk aanwezig: het doel ervan was duidelijk niet het oplossen van het klimaatprobleem (daarvoor heeft het miliebewuste gedrag waartoe werd opgeroepen veel te weinig effect), maar het kweken van zondebesef. Niet voor niets luidde de ondertitel “save our souls” en spraken de presentatoren van een groot succes omdat door het evenement werd bewerkstelligd dat vele mensen zich schuldig begonnen te voelen over hun consumptistische, egoïstische gedrag (dus zich bewust werden van hun zondige leefstijl).

Pas na zo’n religieus-ethische standpuntbepaling worden de “door de wetenschap bewezen” schadelijke effecten van het menselijk handelen voor de aarde als ‘feiten’ erbij verzonnen dan wel worden de daartoe in hun straatje passende wetenschappelijke rapporten aangehaald om hun in wezen zuiver religieus-ethische overtuiging en doeleinden wetenschappelijk-rationele overtuigingskracht te geven. Eenzelfde gang van zaken treft men overigens ook wel aan met betrekking tot andere politieke kwesties zoals bijvoorbeeld het beleid inzake drugs waarbij in dat geval conservatief-rechts in wezen het gebruik van drugs als zodanig moreel afwijst, maar dit eigenlijke motief verhult door te wijzen op de (vermeende) schadelijke effecten van het gebruik van drugs om zo op rationele wijze ook mensen met een andere moraal te kunnen overtuigen van de (ethische) noodzaak tot ingrijpen. En zowel in het debat inzake klimaatverandering als drugs worden deze schadelijke effecten op z’n minst enorm overdreven door de ene partij waarbij wordt gepoogd te tegenstander te overtuigen door zich te beroepen op – een in feite zeer eenzijdige selectie van – de resultaten van wetenschappelijk onderzoek.

3. Politiek is geen ethiek

Politiek zou echter niet als een ethische discussie en al helemaal niet als een hypocriet-verhulde ethische discussie, maar als een zakelijk-rationele discussie moeten worden bedreven: politiek is geen kwestie van morele zuiverheid en superioriteit (welke waarheid “niet van deze wereld is” zoals Jezus opmerkte), maar is een wereldse aangelegenheid waarbij op zakelijke wijze belangen moeten worden afgewogen en baten- en kostenanalyses moeten worden opgesteld. Ethiek noch emoties dienen het politieke besluitvormingsproces te domineren en als men zich beroept op wetenschappelijke resultaten moet men zo eerlijk durven zijn om ook de resultaten die de gewenste conclusie tegenspreken te betrekken. Zo is het politiek niet relevant om de mensen schuldgevoel aan te praten, zodat ze ‘groen’ of ‘klimaatneutraal’ gaan leven en we zo met z’n allen een rein geweten krijgen: het zou in de politiek niet moeten gaan om moreel goed handelen maar om het zakelijk en nuchter vergelijken van de mogelijke alternatieven op voor- en nadelen. Daarbij is reeds het aanplanten van bomen rationeel bezien een dubieuze compensatiemaatregel in het kader van klimaatneutraal handelen omdat bomen ’s nachts ongeveer evenveel CO2 uitstoten als ze overdag opnemen.

4. Een zakelijke kosten-batenanalyse is het politieke devies

Bezien vanuit zo’n zakelijke politieke opstelling staat de milieulobby met al z’n vergaande eisen een stuk zwakker. Zo zijn de kosten van de door de milieulobby voorgestelde maatregelen om met name de uitstoot van broeikasgassen te verminderen enorm (zo’n $180 miljard dat onder meer drie keer het totale bedrag aan mondiale ontwikkelingshulp bedraagt), terwijl zelfs het behalen van enig rendement van deze gigantische uitgave onzeker is. Niet alleen is het twijfelachtig of particulieren, bedrijven en overheden voldoende bereid zijn of overtuigd kunnen worden om hun gedrag structureel in gewenste zin te wijzigen, ook als men het onaangename middel van dwang – hopelijk toch als remedium ultimum – wil toepassen, blijft het uiterst onzeker of de doelstellingen kunnen worden gehaald: zelfs wanneer de theorie dat de mens grotendeels de stijgende opwarming veroorzaakt klopt, zullen alle door het westen te behalen resultaten waarschijnlijk sowieso teniet worden gedaan door de industriële expansie van met name India en China. En het blokkeren van de industriële groei in de Derde Wereld betekent een blokkade van de (economische) ontwikkeling van die landen, hetgeen men toch ook niet moet willen (al zijn er complottheorieën in omloop die stellen dat het westen meewerkt aan de klimaatbewustwording om zo de Derde Wereld in de greep van uit te buiten onderontwikkeling te kunnen houden). Weliswaar “helpen alle kleine beetjes”, maar juist in de politiek volstaan eigen schone handen niet en gaat het om het totale eindresultaat (zo is het ook volstrekt onzinnig – en typisch links – om qua het terugdringen van de luchtvervuiling aan burgers te vragen hun auto te laten staan en de grootvervuilers – ook die in het buitenland – al dan niet noodgedwongen met rust te laten). Indien het niet (zeer) waarschijnlijk is dat de resultaten op het gebied van reductie van wereldwijde CO2-emissie en dergelijke behaald zullen worden, dan kan men zich politiek beter op andere doelen richten die wel kunnen worden behaald, zeker wanneer die beter haalbare doelen even effectief en bovendien veel goedkoper zijn. Mogelijk is het kosten-batenplaatje van louter aanpassing aan eventuele mondiale opwarming (verhoging van dijken e.d.) veel gunstiger dan het kosten-batenplaatje van maatregelen gericht tegen de klimaatstijging zelf (al dan niet in combinatie met aanpassingsmaatregelen), zodat die eerste optie in ieder geval politiek zou moeten worden onderzocht (hetgeen de regering-Bush thans wel en de Europese Unie niet doet).

5. Symptoombestrijding is beter zolang de oorzaak omstreden is en met aanpassing zit men sowieso goed

Aanpassing is sowieso een veel veiligere, zekerdere optie dan maatregelen tegen de klimaatverandering zelf. Er is inmiddels een grote wetenschappelijke consensus dat de aarde opwarmt, maar vooralsnog is de temperatuurstijging vrijwel verwaarloosbaar klein: gemiddeld 0,74% over de laatste 100 jaar, en voor de komende 100 jaar voorspelt de Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de VN een gemiddelde stijging van (slechts) enkele graden. Over de oorzaak van die opwarming is minder wetenschappelijke consensus: het klimaat blijkt het resultaat van een uiterst complex systeem van vele (mogelijke) oorzaken en samenhangen die nog onderwerp van wetenschappelijk onderzoek en debat zijn. Daarbij is de opvatting dat de mens (meer in het bijzonder de extra productie van broeikasgassen zoals CO2 als gevolg van de verbranding van fossiele brandstoffen door de mens) de voornaamste oorzaak is weliswaar dominant, maar in hoeverre de menselijke activiteit de opwarming bepaalt of kan beïnvloeden is onzeker en er zijn tevens belangwekkende aanwijzingen dat het dominante standpunt in ieder geval mede door politieke en onderzoeks-budgettaire redenen en niet door wetenschappelijke redenen gevormd is (helaas zijn politiek en wetenschap volledig verstrengeld geraakt in onze maatschappij).

Wanneer men kiest voor aanpassing, dan hoeft men niet risicovol op één paard (één oorzaak waarvan de rol in de opwarming onzeker is) te wedden maar is het geld altijd goed besteed (en houdt men bovendien nog geld over). Weliswaar doet men dan slechts aan symptoombestrijding in plaats van aan het wegnemen van de (mogelijke) oorzaak, maar daar staat tegenover dat alle klimatologen het over precies één ding unaniem eens zijn: het klimaat verandert sowieso, ook al zou de mens niet bestaan en dus geen invloed hebben. Het staat vast dat de aarde warmere perioden en koudere periodes heeft gekend en zal kennen. Gelet op de eigenlijke motieven van de milieulobby zit haar pijn waarschijnlijk ook niet in die veranderingen op zichzelf (ook al zijn de gevolgen van een ‘natuurlijke’ klimaatstijging met een zeker percentage precies even desastreus als de gevolgen van een door een vervuilende mens veroorzaakte klimaatstijging met datzelfde percentage), maar heeft die betrekking op haar opvatting dat de mens sowieso van de aarde moet afblijven, dus dat de mens – ook al is hij zelf deel van de natuur – geen effect mag hebben op die natuur. Dit is in feite een heel onnatuurlijke eis: alsof een vos onnatuurlijk zou handelen wanneer hij bij gelegenheid alle konijnen weet te vangen en zo het ‘natuurlijke’ evenwicht tussen vossen en konijnen verstoort. Bovendien negeert men zo de moderne antropologische opvatting van de mens die stelt dat de mens een dier ‘met een gebrek’ is: andere dieren zijn reeds aangepast aan hun natuurlijke omgeving, maar het is het noodlot of de bestemming van de mens, van wie de natuurlijke instincten zijn verzwakt ten gunste van het intellect, om zelf z’n kunstmatige – en daarmee leefbare – omgeving te moeten creëren en daartoe z’n natuurlijke omgeving te bewerken.

De milieulobby zal dus een natuurlijke klimaatverandering niet willen bestrijden en in dat geval alleen maar aanpassingsmaatregelen willen treffen (tenzij zij zo religieus gedreven is dat het een natuurlijke verandering cq catastrofe als een te ondergane straf van God cq Moeder Natuur ziet en dus helemaal niets wil ondernemen). Ik zie niet in waarom we die strategie niet altijd kunnen volgen. Het enige rationele motief – in tegenstelling tot het reeds benoemde religieus-ethische motief – om bij een menselijke oorzaak anders te reageren, zou gelegen kunnen zijn in een natuurlijk evenwicht van de aarde dat (makkelijk) door de mens wordt verstoord, zodat een opwarming door de mens exponentieel zou kunnen blijven toenemen en er nooit meer een afkoeling/ijstijd komt. Maar voor zover ik weet, zijn er geen bewijzen voor die theorie. Bovendien kan ook de natuur desastreus toeslaan: een meteorietinslag kan alle leven op aarde in één keer verwoesten en ook een vulkaanuitbarsting kan een klimaatverandering veroorzaken vergelijkbaar met de totale menselijke uitstoot van broeikasgassen. Een voorbereiding en aanpassing op klimaatveranderingen – ongeacht of ze van natuurlijke of menselijke oorzaak zijn – biedt daarom de beste kans op overleving. Mogelijk zal de mens over enkele duizenden jaren zelfs profiteren van de huidige opwarming wanneer dan een nieuwe ijstijd aanbreekt.

6. Voorlichting is propaganda

De milieulobby – inclusief Al Gore met z’n An Unconvenient Truth – geeft sowieso een te negatief beeld van de effecten van een opwarming van de aarde, nu zij alleen maar de mogelijke negatieve effecten noemt, die ook nog sterk overdrijft en de positieve effecten verzwijgt: het is eenvoudig in te zien dat met name koude gebieden juist zullen kunnen profiteren van de opwarming, van minder doden als gevolg van kou tot nieuw vrij te komen grondstofontginningsgebieden. Er zullen diersoorten uitsterven, maar nieuwe voor in de plaats komen of zich beter kunnen handhaven (de hoeveelheid en variëteit aan flora en fauna neemt normaliter zelfs exponentieel toe met de temperatuur: daarom wemelt het in de tropische regenwouden aan leven in tegenstelling tot op de noordpool). Sommige gebieden zullen met meer droogte te kampen krijgen, maar andere gebieden (waaronder Nederland) zullen meer regen krijgen. De grootste bedreiging lijkt te komen van een stijging van de zeespiegel, maar niet alleen blijkt die stijging minder dan was voorspeld, ook is Nederland het bewijs bij uitstek dat dat geen desastreuze gevolgen hoeft te hebben voor kustgebieden. Weliswaar kost het aanleggen van dijken e.d. veel geld, maar nog altijd minder dan de kosten die de milieulobby wil maken om de temperatuurstijging zelf te keren. En de rijke landen zouden kunnen meebetalen voor aanpassingsmaatregelen in arme landen zoals zij nu al meebetalen aan de reductie van broeikasgassen door arme landen. Bovenal hebben de mensen in de kustgebieden veel meer zekerheid dat ze droog blijven bij aanpassing door middel van dijken e.d. dan bij reductie van broeikasgassen. In ieder geval is er zelfs onder de wetenschappers die de opwarming voornamelijk aan de activiteit van de mens toeschrijven weinig consensus dat de gevolgen van de opwarming van de aarde in het algemeen desastreus zullen zijn: de ‘voorlichting’ van de milieulobby daarover is vooral een vorm van propaganda waarbij de feiten en risico’s worden overdreven en eenzijdig belicht (ook het KNMI dat het dominante standpunt van de IPCC onderschrijft, vindt bijvoorbeeld dat Al Gore in zijn publieksvoorlichting overdrijft). Daarmee kan ook een beoogde loutere ‘bewustmaking’ zijn doel voorbij schieten (om dezelfde reden werkt ook drugs-“voorlichting” vaak niet). Bijzonder verontrustend daarbij is dat de verstrengeling van wetenschap en politiek reeds zulke perverse vormen heeft aangenomen dat wetenschappers die zich slechts kritisch uiten over het gebruik/misbruik van wetenschap voor dergelijke alarmistische en politieke doeleinden blijken te moeten vrezen voor hun banen, zowel in Europa als in de VS (waarbij met name in de VS bedrijven op hun beurt weer wetenschappers betalen om de klimaathype te bagatelliseren).

7. Politiek vereist democratisch-populistisch draagvlak

Ten slotte dient politieke besluitvorming democratisch te verlopen en zien we in de media en de politiek vooral de eenzijdige propaganda van de milieulobby en nauwelijks een serieus wetenschappelijk en politiek debat over het onderwerp (dit geldt met name voor Europa). Een open en vooruitstrevende samenleving zou echter open moeten staan voor kritiek, dogma’s moeten afwijzen en opponenten door middel van debat en rationele argumenten moeten proberen te overtuigen. Veelzeggend in dat verband is dat toen een dergelijk debat in maart

2007 in

New York werd georganiseerd – met vooraanstaande wetenschappers aan beide kanten van het panel dat discussieerde over de mondiale opwarming – het percentage van het aanwezige publiek dat ‘I agree’ antwoordde op de centrale stelling “Global warming is not a crisis” steeg van 30 voor het debat naar 46 na het debat. Weliswaar dient wetenschap niet democratisch te worden beoefend, maar politiek wel en het zou democratische politici dan ook zeer moeten verontrusten dat ze thans een enorm veel geld kostende weg inslaan waarvan de noodzaak en resultaat wetenschappelijk omstreden is en die in een serieus debat tussen wetenschappers de burger niet weet te overtuigen.

Een observatie over postmoderne pluraliteit in de politiek

Kenmerkend voor de politiek tijdens de Koude Oorlog, dus de strijd tussen communisme en kapitalisme, is dat beide partijen zich met dezelfde zaken bezig hielden (zoals eigendom, economie, de rol van de overheid, persoonlijke vrijheid, emancipatie, technologische vooruitgang, wapenwedloop, globalisering) en daarbij zelfs in zekere zin dezelfde doelen nastreefden (zoals maximale ontplooiing van het individu, mondiale vrede en welvaart), maar lijnrecht met elkaar van mening verschilden hoe die gemeenschappelijke doelen kunnen worden bereikt.

In de door deze strijd gevormde sociaal-democratie is daarentegen veel consensus bereikt over hetgeen de partijen in de Koude Oorlog verdeeld hielden: uitkeringen moeten blijven bestaan maar alleen voor de mensen die het echt nodig hebben, het kapitalisme genereert welvaart maar de overheid moet de liberaal-kapitalistische excessen indammen, we zijn allemaal gelijkwaardig, we moeten rekening houden met het milieu, etc. Zelfs ten aanzien van huidige, uiterst gevoelige kwesties zoals immigratie en integratie is er opvallend veel consensus tussen de partijen waar te nemen: het is eigenlijk geen punt van discussie meer dat we een restrictief (‘streng maar rechtvaardig’) toelatingsbeleid moeten voeren en dat iedere nieuwkomer moet inburgeren en integreren.

Toch is er nog altijd sprake van politieke pluraliteit. Volgens mij zit de huidige diversiteit van politieke programma’s niet zozeer in tegengestelde inhoudelijke standpunten over dezelfde onderwerpen, zoals in de Koude Oorlog, maar veel meer in de keuze van onderwerpen die men belangrijk vindt. De verschillen tussen de verschillende politieke partijen worden thans vooral bepaald door de zeer uiteenlopende prioriteitenlijsten van de partijen, hetgeen ook verklaart waarom zoveel nieuwe politieke partijen min of meer one-issuepartijen lijken. Waar politieke partijen in Nederland vroeger vooral werden geassocieerd met bepaalde bevolkingsgroepen wiens belangen men behartigde (zoals de PvdA de arbeiders, de VVD de ondernemers, etc), worden politieke partijen thans vooral geassocieerd met het onderwerp die zij politieke topprioriteit geven: bij de PvdV is dat het voorkomen van de islamisering van Nederland, bij de PvdD de rechten van dieren, bij de ChristenUnie het terugdringen van abortus en euthanasie en bij de SP de armoedebestrijding. Dit verklaart ook dat de verschillende partijen elkaar vaak niet meer begrijpen en de kwestie waar de ander zich druk om maakt als een ‘non-issue’ beoordeelt: dat overkwam bijvoorbeeld de PvdV met hun protest tegen de dubbele paspoorten van bewindslieden en de ChristenUnie met hun protest tegen de reclame van een ondergoedfabrikant. Zo is uiteindelijk ook de postmoderne ‘lappendeken’ met verschillende, onderling onverstaanbare, talen (of vormen van ‘discourse’) in de Nederlandse politiek zichtbaar geworden.

20 April 2007
By on 16:09
Het einde van de democratie

Voorman De Winter van het Vlaams Belang wordt thans strafrechtelijk vervolgd wegens racisme vanwege een in een interview gedane uitspraak met de strekking “ik heb angst voor de islam, ik ben een islamofoob” (en volgens hem is de kans op veroordeling groot vanwege de politieke partijdigheid van de beoordelende rechterlijke instantie). Er is tevens een wetsvoorstel in het Belgische parlement aanhangig dat inhoudt dat men geen politieke functies mag uitoefenen wanneer men wegens racisme is veroordeeld. Het cordon sanitaire en de eerdere veroordeling van het Vlaams Blok wegens racisme is dus klaarblijkelijk niet voldoende bevonden: de gevestigde politieke orde zoekt in België nieuwe wegen om haar politieke tegenstanders monddood te maken.

Ook de EU heeft als politiek correcte kampioen van de wereld een uitgesproken hekel aan politieke tegenstanders die het ideaal van Europa als multicultureel immigratiecontinent dwarszitten. Vandaag is in een vergadering van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken een “gemeenschappelijke anti-racisme wet” aangenomen die het mogelijk maakt in elk Europees land de politieke tegenstanders strafrechtelijk te vervolgen, nu deze voorziet in een EU-brede gevangenisstraf van minimaal één tot drie jaar voor "publicly inciting to violence or hatred, directed against a group of persons or a member of such a group defined by reference to race, colour, religion, descent or national or ethnic origin.”.

Vrijheid van meningsuiting en partijvorming is echter een noodzakelijke voorwaarde voor democratie, juist omdat in een ware democratie politieke tegenstanders niet monddood worden gemaakt anders dan door middel van overtuigende argumenten in een open en vrij debat. In een democratie moet de burger in vrijheid zijn opinie kunnen uiten en verdedigen, dus zonder te hoeven vrezen voor geweld (ook als die niet van de overheid komt) of vervolging door de overheid. Het bestaan van opiniedelicten (en die niet voor niets vooral tegen politieke tegenstanders worden ingezet), is dan ook onverenigbaar met democratie. Het vervolgen van mensen vanwege hun politieke opvatting is juist het wezenskenmerk van de grote Europese dictaturen van de 20ste eeuw (communisme, fascisme, nationaal-socialisme) en is de reden waarom wij doorgaans het politieke bestel van Noord-Korea, Cuba of het Irak van Saddam Hoessein (zoals voorheen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie) geen echte democratie noemen, ook al noemen zij zichzelf democratieën, zijn ze dat wellicht ook in een bijzonder opzicht (ondanks haar ongekende massamoorden verschilt de moderne, democratische dictatuur namelijk wezenlijk van de pre-moderne, aristocratische dictatuur doordat de moderne dictator – heel democratisch – namens het volk handelt/moordt in plaats van andersom) en worden aan alle formele vereisten van democratie voldaan (reguliere verkiezingen, meerdere politieke partijen, geen formeel verbod op vrijheid van meningsuiting, e.d.).

De strafrechtelijke vervolging wegens opiniedelicten in Nederland (bijvoorbeeld tegen Janmaat in de jaren ’80) en België (bijvoorbeeld tegen het Vlaams Blok en thans tegen De Winter) kan dan ook tot geen andere conclusie leiden dan dat Nederland en België geen echte democratieën zijn. En voor velen is de huidige situatie nog niet dictatoriaal genoeg: onder meer Wolfsen van de PvdA pleit voor nog harder strafrechtelijk optreden bij ‘discriminerende uitlatingen’. Klaarblijkelijk is het demoniseren en op de politiek correcte brandstapel zetten van andersdenkenden nog niet voldoende, maar moeten politieke dissidenten ook vooral strafrechtelijk vervolgd worden en een Carthyaanse heksenjacht op politieke tegenstanders geopend worden. De EU lijkt de droom van Wolfsen waar te gaan maken. De ex-Sovjetdissident Bukovsky stelde het al: het regime van de Sovjet-Unie viel, maar de EU lijkt het stokje van de Sovjet-dictatuur gretig te willen overnemen.

De vraag rijst of er een rechtvaardiging is voor het in het leven roepen van opiniedelicten en daarmee het vernietigen van de democratie. Onze machthebbers in Den Haag en Brussel lijken immers beschaafde, verstandige mensen. Volgens mij is die rechtvaardiging er niet (als iemand een overtuigende rechtvaardigingsgrond weet, dan hoor ik die graag!) en worden op zichzelf redelijke wetsartikelen misbruikt om andersdenkenden de mond te snoeren.

Zo is het verbod op discriminatie volstrekt redelijke en legitieme democratische wetgeving. Maar het zo ruim interpreteren van dat verbod dat ook racistische uitingen onder discriminerend handelen vallen (en ook daarbij racisme zo ruim te interpreteren dat alleen een onmogelijk cultuurrelativisme er van gevrijwaard is), is regelrecht in strijd met de democratie. Het is een volstrekt legitieme democratische keuze om discriminatie, abortus of seks met minderjarigen te verbieden, maar het is evengoed een volstrekt legitiem democratisch recht om zo’n verbod ter discussie te stellen. In een democratie mag men alles verbieden, behalve de vrijheid van opinie- en partijvorming omdat men daarmee de democratie zelf verbiedt. Het veel gehoorde argument dat de wet nu eenmaal racisme verbiedt en dat de rechter nu eenmaal een politicus als Janmaat heeft veroordeeld, is natuurlijk geen argument om dergelijke politici uit het democratisch debat te weren: politiek gaat nu juist over het wijzigen van de bestaande wetgeving en (daarmee indirect) jurisprudentie. Indien dit anders ware, dan zouden bijvoorbeeld libertariërs zodra zij de kans ertoe krijgen in de wet of jurisprudentie kunnen vastleggen dat belastingheffing gelijk staat aan diefstal en daarmee voor eeuwig elke poging om belastingheffing weer in te voeren kunnen blokkeren.

Zo ook kan ik begrip opbrengen voor wetsartikelen die belediging, smaad en het oproepen tot haat en geweld strafbaar stellen. Minder begrip kan ik opbrengen voor wetten die het beledigen en oproepen tot haat van zoiets abstracts als bevolkingsgroepen strafbaar stellen, nu het kwetsende van een belediging of het bedreigende van een haatzaaiende tekst nu juist het persoonlijke is: “alle Nederlanders zijn klootzakken” is een stuk minder beledigend en heeft veel meer de vorm van een generaliserende hypothese dan “jij bent een klootzak” en “alle Nederlanders moeten dood!” is een stuk minder bedreigend dan “ik sla jou dood!”. Het is dan ook curieus dat men zich juist zo inspant om het beledigen van bevolkingsgroepen tegen te gaan en zich tegelijkertijd helemaal niet druk maakt om de bedreigingen van individuen (door uitgerekend die beschermde bevolkingsgroepen) zelfs als ze volksvertegenwoordiger zijn zoals Wilders en zelfs zelf het haatzaaien tegen deze politieke tegenstanders alleen maar maatschappelijk aanmoedigt.

Daarbij komt dat beledigen iets anders is dan kwetsen: een belediging is kwetsend bedoeld maar niet elke kwetsende uitspraak is ook kwetsend bedoeld. Ik ben ervan overtuigd dat Janmaat niet de intentie had om te beledigen of haat te zaaien toen hij “vol is vol” riep, maar dat hij lucht gaf aan zijn politieke opvatting over de instroom van immigranten. Hetzelfde geldt voor De Winters uitspraak “ik heb angst voor de islam” dat nota bene een antwoord was op een vraag naar de angsten van De Winter. Er worden welhaast Freudiaanse analyses losgelaten op opmerkingen van bepaalde politici om die opmerkingen maar als racistisch te kunnen interpreteren en als men daarin consequent zou zijn dan zou men met evenveel recht een opmerking aan de linkerkant dat exorbitante topinkomens moeten worden bestreden kunnen interpreteren als een oproep om alle joden te vergassen. We zijn ver heen als we iedereen die een mening uitspreekt waarvan vervolgens iemand beweert dat die uitspraak hem kwetst gaan vervolgen wegens belediging of haatzaaien. Zo beschouwd kunnen bijvoorbeeld ook de topmanagers in het bedrijfsleven wel aangifte gaan doen van belediging of haatzaaien telkens wanneer iemand over hen als “graaiers” spreekt: politieke standpunten, zeker uitgedrukt in aansprekende maar weinig genuanceerde bewoordingen, hebben altijd de potentie kwetsend voor iemand te zijn en het verbieden daarvan is het verbieden van de democratische politiek zelf (maar iedereen voelt aan dat vervolging in de EU slechts aan de orde zal zijn als een moslim zich beledigd of onheus behandeld voelt: zelfs de joden zijn hun bijzonder gevoelige status kwijt sinds de nieuwe knuffelminderheid uitgesproken antisemitisch is, hetgeen de Europese anti-racismewet, gelet op de opgegeven reden ervan, namelijk de bijzondere morele plicht van Europa vanwege de Holocaust, extra wrang maakt).

Ook begrijp ik het standpunt dat een democratisch systeem geen ruimte mag geven aan antidemocratische bewegingen omdat de democratie anders z’n eigen graf graaft. Maar ten eerste ben ik het niet met dit standpunt eens: ik geloof dat je antidemocratische krachten veel effectiever bestrijdt door middel van goede argumenten dan door middel van verbod en repressie waarmee je alleen maar wrevel en ondergronds verzet aanmoedigt. Bovendien zien we dat het de gevestigde politieke orde helemaal niet te doen is om de antidemocratische krachten in de samenleving te bestrijden: men bestrijdt mensen als Janmaat, Wilders en De Winter die zich nooit tegen de democratie hebben uitgesproken, terwijl moslims en socialisten die zich wel expliciet uitspreken tegen de democratie niet worden vervolgd.

Het is echter waarschijnlijk dat veel mensen het begrip democratie niet zozeer uitleggen als vrijheid van meningsuiting, maar als gelijkheid of gelijk burgerschap zodat het de primaire taak van de democratie is om minderheden te beschermen en discriminatie te verbieden en/of elimineren. Deze interpretatie van democratie houdt verband met een perverse vorm van de positieve opvatting van vrijheid zoals de filosoof Berlin in z’n klassiek geworden Two concepts of liberty overtuigend uiteen heeft gezet. Deze visie op democratie heeft in de 20ste eeuw geleid tot de totalitaire democratieën van de communisten en fascisten, waar ik al eerder over sprak. De oorspronkelijke Griekse democratie houdt ook verband met deze positieve opvatting van vrijheid, maar essentieel voor het Griekse concept is de scheiding tussen het publieke, politieke domein en het privédomein (en ook de beperking van de kring der burgers: ik merk op dat het sowieso absurd is te stellen dat iedereen gelijke rechten toekomt nu we in ieder geval kinderen en gedetineerden altijd daarvan – ten dele – zullen moeten uitsluiten). Men heeft gelijk dat gelijkheid een noodzakelijke voorwaarde vormt voor vrijheid, maar de grote fout die links en de gevestigde orde maken is dat ze daarbij het verkeerde domein aanwijzen voor die vrijheid en gelijkheid. Links en de gevestigde orde interpreteren de democratische vrijheid als een concept van maatschappelijke vrijheid en gelijkheid dat voor de verschillende leden en groepen in de samenleving in gelijke mate moet gelden, hetgeen leidt tot het multiculturele ideaal en het afschaffen van de politieke vrijheid om dat maatschappelijk ideaal niet door politiek andersdenkenden als Wilders en De Winter te laten torpederen. De anti-racismewetten vormen het sluitstuk van deze gedachtegang. Dit inperken van de politieke vrijheid om een positief democratisch ideaal met betrekking tot de samenleving te bewerkstelligen, heeft eerder geleid tot de regimes van dictators als Stalin en Hitler. Ik denk dat deze democratische interpretatie een doodlopende weg is en dat de ware democratie – gelijk de oude Grieken deden – de idealen van gelijkheid en vrijheid uitdrukkelijk in het politieke domein plaatst: het politieke debat en de politieke participatie moeten voor iedereen gelijkelijk toegankelijk zijn en in die politieke arena moet iedereen gelijk en vrij zijn. Daarom zijn in een ware democratie de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van politieke partijvorming, het actieve en het passieve stemrecht de hoogste waarden. En in die publieke, politieke ruimte wordt collectief beslist over de inrichting van de samenleving (en daarin kan worden besloten tot maatschappelijke discriminatie van bepaalde bevolkingsgroepen). Links en de gevestigde orde maken de fundamentele fout om het anti-discriminatieartikel, dat in haar huidige, zeer ruim geïnterpreteerde vorm een politiek inhoudelijk ideaal weergeeft, tot fundament van de democratie te maken en zo alle andere politiek inhoudelijke opvattingen over de inrichting van de samenleving uit het democratische debat te drukken. Ware democratie is echter geen politiek inhoudelijk programma, maar een formele structuur die niets meer maar ook niets minder biedt dan een voor elke burger, van racistische autochtoon tot haatpredikende imam, gelijke toegang tot de politieke arena.

Voor mij is bovenstaande zo evident dat ik de stalinistische interpretatie van democratie en de daarbij horende zucht naar een dictatuur met gedachtepolitie en heksenjacht op andersdenkenden altijd bizar en nauwelijks begrijpelijk heb gevonden: wat bezielt iemand om zo’n pervers ideaal van democratie aan te hangen? Ongetwijfeld spelen karakter en intelligentie hierbij een rol. Ikzelf heb altijd zo’n groot vertrouwen in de kracht van het woord gehad dat ik nooit heb getwijfeld dat de pen een machtiger wapen dan het zwaard is (daarom schrijf ik ook stukjes in plaats van dat ik bommen leg). Ook recent historisch onderzoek heeft aan het licht gebracht dat het succes van gewelddadige revoluties grotendeels een mythe is en dat non-gewelddadige politiek in het algemeen meer invloed heeft dan gewelddadige politiek. Met schrijven en lobbyen bereikt men in het algemeen meer dan met terreur. Ook regimes die andersdenkenden vervolgen blijken minder succesvol dan liberaal-democratische regimes. Fukuyama heeft nog altijd gelijk met zijn beroemde these dat na de ondergang van het communisme een moderne staat geen ander alternatief meer heeft dan het liberaal-kapitalisme en de liberale democratie als het een moderne staat wil blijven. Waarom zien we dan toch nauwelijks mensen – tot aan onze machthebbers toe – die in de democratie en de kracht van het argument geloven? De romantici wisten op even virtuoze als diepzinnige wijze de waarheid van de rationaliteit en de waarden van de moderniteit te ondermijnen, maar deze intellectueel hoogstaande verzet tegen de moderne democratie treft men niet aan bij de massa der mini-despoten die Europa tot in de hoogste kringen bevolkt. Deze massa gedraagt zich slechts als verwende kinderen van zeer laag intellectueel allooi die gewoon koste wat kost hun zin willen krijgen en zich niet bekommeren om de spelregels van de democratie of om verantwoordelijke politiek. Ik acht het falen van de hedendaagse opvoeding en het verpauperde onderwijs, overigens ook allemaal het gevolg van een verkeerd opgevat emancipatie-ideaal, om het kind in onze samenleving daadwerkelijk te vormen tot de zoön echon logos van Aristoteles daarvoor verantwoordelijk.

Helaas is de democratie slechts voor hoog ontwikkelde mensen: men moet politiek volwassen zijn om de meerwaarde van democratie te kunnen vatten. Mensen die politiek nog kind zijn, zijn niet in staat te beseffen dat zij zelf niet persé gelijk hoeven te hebben en dat waarheid en verantwoordelijkheid voor de gevolgen van politiek handelen zwaarder wegen dan je zin of gelijk krijgen en persoonlijk ervaren emoties van medelijden of verontwaardiging. De ondemocratische praktijk in Europa laat zien dat dit continent nog altijd niet de volwassen en intellectueel hoogstaande cultuur van de VS heeft bereikt, alwaar men het moderne fundament van de vrijheid van denken, wetenschap en politieke opinievorming voor haar democratie en beschaving nog altijd respecteert. Europa is daarentegen helaas nog altijd bevolkt door barbaren die zelfs van Europa’s bloedige geschiedenis in de 20ste eeuw niets willen leren en opnieuw een totalitair experiment op de bevolking willen uitvoeren. Weliswaar vinden de meeste Nederlanders de vrijheid van meningsuiting het belangrijkste grondrecht en vindt 40% dat die vrijheid onder druk staat, met name qua meningen over de multiculturele samenleving, toch is er geen enkele beweging zichtbaar die zich tegen de verwoesting van deze vrijheid en de democratie verzet. Als Europa en Nederland het serieus menen met hun anti-racismewetten, dan zal er mogelijk een ware exodus van politieke dissidenten uit Europa plaatsvinden (bovenop de nu al enorme emigratie van autochtonen die elke politicus aan het denken zou moeten zetten): ik kan alleen maar hopen dat de VS zijn naam van bastion van de vrijheid en de democratie in de wereld hoog zal houden en ruimhartig zal omgaan met de asielaanvragen van deze Europese politieke vluchtelingen.

De relatie tussen politiek en ethiek

De relatie tussen politiek en ethiek

(een onderzoek naar de ethische dimensie van politiek)

Inleiding

In deze paper zal ik proberen de ethische dimensie van politiek op te sporen en kort te beschrijven. De opbouw van de tekst zal daarbij de volgende aanpak volgen.

Eerst zal ik het probleemkader schetsen aan de hand van drie prima facie posities en hun kenmerkende optredens in de westerse geschiedenis. Daarna zal ik de omschrijving en aard van ethiek/moraal maar met name politiek aan een nader onderzoek onderwerpen. Ik zal vervolgens proberen om met behulp van deze analyse enige belangrijke verschillen tussen ethiek en politiek te benoemen, hun beider domeinen enigszins af te bakenen en ten slotte de ethische dimensie van politiek bloot te leggen. Daarbij zal ik de zo gevonden eigen ethische praktijk en gerichtheid van de (democratische) politiek wat nader uitwerken.

Drie prima facie standpunten

Wanneer men nadenkt over de natuurlijke of immanente ethische dimensie van de politiek zijn er prima facie grofweg drie standpunten mogelijk ten aanzien van deze relatie. De eerste is dat er geen wezenlijk verschil tussen ethiek en politiek bestaat: politiek is ethiek, hooguit op een grotere schaal of een hoger niveau. De tweede is dat politiek en de politieke gemeenschap een eigen en unieke ethiek of moraal heeft die wezenlijk kan verschillen van de gewone ethiek. De derde is dat politiek in wezen a-moreel is. Deze drie standpunten zal ik kort toelichten, waarbij ik tevens een historisch kader schets.

Standpunt I. Politiek als een praktijk in het verlengde van de ethiek

Het standpunt dat ethiek en politiek nauw verbonden zijn, vinden we onder meer bij Plato en Aristoteles.

Bij Plato zijn het politieke en ethische analoog aan elkaar: bij beide kwesties gaat het vooral om de constitutie van rechtvaardigheid waartoe de rede moet heersen over het temperament (moed) en (materialistische) begeerten, hetgeen in de macrosfeer van het politieke de vorm heeft van de filosoof-koning die heerst over de wachters en het volk.[1] Alleen de filosoof-koning verstaat de hoogste kunst van het leidinggeven over een mensenvolk. Politiek is (slechts) het instrument van deze koninklijke weefkunst, waarbij de individuen in de Staat opgevoed en zelfs geteeld moeten worden om haar doel te bewerkstelligen: het behoud van de Staat en het beter en rechtvaardiger maken van de samenleving en haar leden.[2]

Bij Aristoteles is het verschil tussen ethiek en politiek niet louter kwantitatief: weliswaar liggen ethiek en politiek in elkaars verlengde, maar eerst in de publieke, politieke sfeer van de stadstaat vindt de ethische zelfverwerkelijking van de mens zijn vervolmaking: de mens is een “politiek dier”.[3] Het goede leven is slechts als burger in de stadstaat mogelijk: de politieke activiteit is zelf waardevol, nu alleen door middel van de politieke participatie zelfbestuur en vrijheid, onontbeerlijk voor het goede leven en zijn autarkie, kunnen worden gerealiseerd.

Wat betreft de verhouding met de Griekse politieke praktijk, merk ik op dat Plato revolutionairder dan Aristoteles was: onder invloed van de radicale kritiek van Socrates, streefde Plato naar een nieuwe staatsvorm, gestoeld op zijn theorie. Aristoteles streefde niet naar een revolutie, maar was meer een kritische conformist en commentator.

Standpunt II. Politiek als een praktijk met een eigen ethiek

Plato beschrijft de ideale ethiek en politieke kunst in analogie met specifieke, andere kunsten (zoals de paardenmenner en arts). Weliswaar zien we pas vanaf Cicero ook het omgekeerde, namelijk het concept dat specifieke functies/rollen in de samenleving specifieke plichten dus specifiek moreel gedrag vereisen, maar reeds bij Aristoteles zien we al de opvatting dat politiek een (ethisch) domein betreft dat kwalitatief verschilt van het privé-domein. Volgens Arendt was dat verschil in de praktijk van de Griekse stadstaat vóór Plato nog groter.[4] Waar het privé-domein beheerst werd door het noodzakelijke, de natuurlijke sociale en economische afhankelijkheden (machtsverhoudingen) en de familie, daar werd het publieke, politieke domein gekenmerkt door vrijheid, gelijkheid en gemeenschappelijkheid.[5] In deze bijzondere publieke ruimte moet een eigen ethos hebben bestaan, waarbij de sofisten optraden als leermeesters van de in de prille democratie benodigde politieke areté die met name de retorica, de kunst van de welsprekendheid, omvatte. De eenheid tussen de twee bestanddelen van het politieke leven, praxis (handelen) en lexis (spraak), werd verbroken en politiek werd vooral een kwestie van (geweldloze) overreding.[6] Vooral Aristoteles was van mening dat de leer van de praxis, dus de praktische filosofie, niet in een absolute algemene theorie op basis van Ideeën kon worden verwoord, maar dat het juiste handelen een kwestie van ervaring en praktische vaardigheid is.[7] Maar zowel Plato als Aristoteles vatten de waarheid evengoed als objectief en kenbaar op. Daarentegen leerden de sofisten een humanistisch relativisme waarbij het niet ging om gelijk hebben maar om gelijk krijgen en het bereiken van consensus.[8] Deze sofistische waarden en doelstellingen krijgen in de huidige liberale (postmoderne) democratie veel waardering en mijns inziens niet ten onrechte, zoals ik nog zal pogen aan te tonen.

Indien men zich op het standpunt stelt dat de politiek een eigensoortige ethische praktijk vormt met een uniek ethische grondslag en streven, dan kan men voorts nog vele mogelijke invullingen van dat streven bedenken. Bijvoorbeeld een conservatief zal kunnen menen dat dit streven moet zijn gericht op orde, sociale cohesie en behoud van waarden en tradities, een fascist dat dit moet zijn gericht op het behoud en expansie van de Staat, een democraat dat dit moet zijn gericht op democratie en burgerschap, een liberaal dat dit moet zijn gericht op vrijheid en een socialist dat dit moet zijn gericht op institutionalisering van gelijkheid en rechtvaardigheid. 

Standpunt III. Politiek als een a-morele praktijk

Onder invloed van de antieken was tot en met de Middeleeuwen de relatie tussen ethiek en politiek vanzelfsprekend. Wel verloor de politieke participatie van de burger z’n intrinsieke waarde en ontstond er een scheiding tussen de seculiere en de religieuze sfeer (inclusief een politieke machtsstrijd tussen de geestelijke en wereldse macht). Men nam Aristoteles’ deugdenethiek over, maar het in het aardse leven te bereiken geluk werd getransformeerd naar gelukzaligheid in het hiernamaals. Zo ook beschrijft Arendt hoe het publieke domein van de Griekse stadstaat in de Middeleeuwen in feite verplaatst werd naar de religieuze sfeer en de politiek over het oprukkende privé-domein ging heersen.[9] Dit leidde ertoe dat in de nieuwe tijd de locaties van vrijheid en vriendschap enerzijds en (onderdrukkende) macht anderzijds zijn omgekeerd ten opzichte van de antieke Griekse stadstaat: het politieke domein wordt nu gekenmerkt door macht en geweld, het privé-domein door (persoonlijke) vrijheid. De Staat heeft nog slechts een instrumentele waarde en de politiek in hoge mate een technocratisch karakter.[10]

Bij Hobbes vindt de moderne politieke filosofie zijn meest typische, paradigmatische vorm. Bij hem wordt de moderne Staat en haar macht gelegitimeerd door de noodzaak van de burgers om hun macht aan de vorst over te dragen teneinde veiligheid en orde te scheppen en een samenleving en cultuur überhaupt mogelijk te maken. Moraal, religie of metafysica speelt in Hobbes’ politieke theorie geen rol: de Staat als centrum van de macht is slechts het noodzakelijk instrument om het natuurrecht van zelfbehoud te realiseren.[11] Ook bij Machiavelli’s realistische politieke theorie gaat het in de politiek louter om zelfbehoud en moet de vorst soms immoreel handelen om zichzelf en de Staat te kunnen behouden. Niet duidelijk is of Machiavelli daarbij van mening was dat in de politiek de specifieke politieke ‘moraal’ (slechts) prevaleert of dat de gewone moraal er in de politiek helemaal niet toe doet.[12] De socioloog Weber heeft het machtsbegrip als het centrale concept van politiek benadrukt en de moderne staat daarbij omschreven als “die menselijke gemeenschap die op een bepaald grondgebied met succes aanspraak maakt op het monopolie van het legitieme gebruik van fysiek geweld”[13] en daarbij geijverd om ethiek en politiek te scheiden en vooral de gezindheidsethici uit de politiek te weren. Maar in feite stelt Weber zich op het standpunt dat de politiek een geheel eigen ethiek heeft: de ‘onwereldse’ gezindheidsethiek, zoals geleerd door de grote godsdienststichters en die in seculiere vorm vooral door socialisten wordt beoefend, is rampzalig voor de politiek nu in de ‘wereldse’ politiek de gevolgen van het handelen belangrijker zijn dan de morele zuiverheid van het handelen, zodat politiek verantwoordelijkheidsethiek behoeft.

Onderzoek naar de begrippen en aard van ethiek en politiek

Om te kunnen bepalen in hoeverre bovenstaande standpunten de ethische dimensie – of de afwezigheid daarvan – van de politiek weergeven, is het van belang eerst de begrippen ‘moraal’, ‘ethiek’ en ‘politiek’ te omschrijven en de aard van hun praktijken te analyseren.

De begrippen ethiek, moraal en hun verhouding kan men op verschillende wijzen interpreteren. Met ‘moraal’ zal ik met name de praktijk van plichten (normen) bedoelen en met ‘ethiek’ het ruimere domein van de menselijke praxis (inclusief waarden) alsmede de theoretische reflectie daarover. In deze paper zal ik het verschil tussen ethiek en moraal niet scherp maken, nu dat verschil voor mijn doel niet direct relevant is.

Men kan deugdethiek onderscheiden van normatieve ethiek: de eerste betreft de levenskunst van de zelfvervolmaking om zo het goede leven en het geluk te bewerkstelligen en de tweede betreft de morele verplichtingen in het omgaan met de ander, God en/of onszelf. Een ander belangrijk onderscheid is die tussen teleologische en deontologische (normatieve) ethiek: bij de eerste wordt het verplichte karakter van de handeling bepaald door een doel erbuiten (meestal haar gevolg, zodat de ethiek dan consequentialistisch is) en bij de tweede is de plicht een intrinsiek verplichtende handeling.

Voor een nader begrip van wat politiek is, neem ik de definitie ervan in The Blackwell Encyclopedia of Political Thought als uitgangspunt, waarvan ik de vier onderscheiden elementen van de definitie[14] als volgt kort weergeef:

1. Politiek vooronderstelt verschillen van mening, terwijl collectief handelen geboden is.

2. Het politieke proces impliceert overreding, onderhandeling en een mechanisme om tot een finale beslissing te komen. Overreding omvat retorica dat het meest kenmerkende element is van politiek. Het mechanisme kan formeel of informeel zijn, maar politiek sluit het gebruik van dwang en geweld uit.

3. Politiek impliceert dat de genomen beslissing als gezaghebbend wordt geaccepteerd.

4. In de praktijk betekent politiek niet alleen gezag maar ook macht om de beslissing als gemeenschappelijk beleid aan recalcitrante leden dwingend op te leggen.

De elementen 3 en 4 komen overeen met Webers analyse van het politieke verband en zij lijken ook mij inherent aan de politiek zoals die in ieder geval noodzakelijkerwijs in moderne natiestaten verschijnt. Politiek gaat dus over macht. Al is een machtsloze commune, zoals die mogelijk voorkomt in bepaalde kleine gemeenschappen of fictieve natuurtoestanden van sommige Verlichtingsdenkers, wellicht geen politiek verband, ik merk op dat het tegenstreven van macht, dus het libertarische of anarchistische streven naar het verdwijnen van machtsverhoudingen en de ons bekende politieke verbanden, beslist als politiek geduid moet worden, nu ook dit een beïnvloeding van de machtsverdeling en een wijziging in het bestaande samenlevingsverband beoogt. En wanneer men dwang en geweld ruimer opvat dan louter in fysieke zin, dan is geen samenlevingsverband of collectief optreden voorstelbaar zonder in ieder geval enige (informele) hiërarchie en geestelijke (groeps)druk.

De elementen 1 en 2, die de voorwaarden voor de politieke beslissing constitueren, lijken me minstens zo wezenlijk maar ook minstens zo problematisch als de elementen 3 en 4 voor ons idee van politiek. Wat element 1 betreft is het een gegeven dat mensen veelal verschillen van politieke opvatting, waar een collectief handelen vereist is. Veel mensen zullen dat vooral als vervelend ervaren, maar ik ben van mening dat het een goede zaak is dat er een veelheid van politieke opvattingen bestaat: de grote variatie van aangeboden problemen en oplossingen geeft ons een groter aanpassings- en overlevingsvermogen.[15] Ik deel Arendts afkeer van de gelijkvormigheid (sameness) van het privé-domein en diens sociaal-economische huishouding van productie en consumptie ten gunste van pluraliteit en strijd der opinies, ook al deel ik niet per se Arendts esthetische opvatting van politiek als doel op zichzelf, waarbij het publieke optreden in de politieke arena de mens zijn ware vrijheid verschaft doordat dit optreden louter op groots handelen is gericht. Ook De Tocqueville keerde zich tegen deze gelijkvormigheid toen hij al in 1840 waarschuwde voor de gevaren van de moderne democratie, waarin volstrekte nivellering en materiële welstand ervoor kunnen zorgen dat de burger opgeeft zelfstandig na te denken, hij politiek apathisch wordt en uitgeleverd wordt aan de publieke opinie, de helft plus één en de centrale staatsmacht hetgeen uiteindelijk kan leiden tot een fluwelen slavernij waarin de monddood en tot makke schaap gemaakte burger van wieg tot graf verzorgd en geleefd wordt.[16] Ik merk op dat na het einde van de Koude Oorlog velen spreken over een postpolitieke en postideologische wereld, waarin als niet de pluraliteit is afgenomen in ieder geval de politieke strijd is afgenomen.[17]

Van groot belang is de vraag hoe de politieke strijd moet worden gestreden, dus hoe uit het reservoir van opvattingen de winnaars moeten worden geselecteerd. Element 2 uit de definitie sluit het gebruik van dwang en geweld uitdrukkelijk uit, maar op het eerste gezicht is dat niet houdbaar: terrorisme, dat per definitie geweld gebruikt om politieke besluitvorming af te dwingen of te beïnvloeden, is immers een politiek verschijnsel. Maar mogelijk is terrorisme (en ook een éénpartijsysteem) een politiek verschijnsel omdat het de natuurlijke of immanente vrijheid en pluraliteit in het politieke domein probeert te vernietigen of onderdrukken (zoals een immorele handeling ook betrekking heeft op de moraal). Met de sofisten en een aantal postmodernen ben ik van mening dat in een democratie in principe alle naar voren gebrachte opvattingen gelijkwaardig zijn, dat alleen succes telt en dat daartoe het debat en overreding te prefereren zijn boven het gebruik van geweld of dwang. Uiteindelijk komen politieke beslissingen altijd door middel van strijd tussen verschillende partijen tot stand, maar er zijn goede redenen om daarbij het debat en overreding als hoogste waarden op te vatten en het gebruik van geweld als meest negatieve waarde af te wijzen. Hierbij maak ik onderscheid tussen het gedrag van de politicus en het gedrag van de burger als lid van de politieke gemeenschap.

Omdat de politicus in een democratie handelt in naam van het volk, is het van belang dat het volk zijn representant kan vertrouwen en hem als hun representant waardig acht. Wanneer de politicus niet integer handelt door bijvoorbeeld te liegen, te misleiden, corrupt te zijn of z’n beloften niet na te komen, wordt dat vertrouwen en die achting beschaamd. Ook het gebruik van geweld door de politicus zal als op z’n minst immoreel gedrag kunnen worden afgekeurd door het volk in wiens naam hij handelt. De vraag of immoreel gedrag van de politicus toch politiek gerechtvaardigd kan zijn, zal later nog kort aan de orde komen.

Op vergelijkbare wijze kan men het gebruik van geweld en ander immoreel gedrag in de politieke ruimte, hetzij door de politieke machthebbers zelf hetzij door (aanhangers van) partijen onderling en andere burgers, moreel afwijzen. Maar ik denk dat er twee belangrijkere redenen zijn waarom bij de strijd in het politieke domein het gebruik van geweld als verwerpelijk en het gebruik van overreding in het debat als ideaal moet worden opgevat. Hierbij zal ik aansluit bij hetgeen ik al over element 1 heb gezegd. De eerste reden is dat politiek belangrijk is: zij vormt een belangrijk middel om mijn leven (en die van anderen) de vorm en inhoud te geven die ik wens en om mijn belangen te behartigen en mijn idealen te realiseren of daarvoor in ieder geval de voorwaarden te scheppen. Vanuit deze wens tot zelfbestuur en zelfbepaling[18], tot zeggenschap over mijn eigen leven, is het dan van belang dat ik mijn politieke wensen kenbaar kan maken en aan het politieke debat kan deelnemen. Tot deze hoogte volg ik het standpunt van Arendt dat politieke participatie, het optreden in de politieke arena, op zichzelf een belangrijke waarde van authentiek handelen, verbonden met de typisch menselijke vrijheid en zelfbepaling, bevat: zonder de mogelijkheid tot politieke participatie kan men niet zelf mede de voorwaarden van zijn leven scheppen en wordt men in zekere zin ‘geleefd’. Wanneer ik in die politieke ruimte geweld gebruik, dan ontneem ik anderen de vrijheid om hun belang of opvatting kenbaar te maken en hun opponenten te overtuigen. In een liberale democratie waarin iedereen gelijkwaardig (en elk mens een grote, zelfs absolute, waarde heeft) is en een fundamenteel recht tot politieke participatie heeft, is dat onacceptabel. Ten tweede beperkt dergelijk ondemocratisch gedrag het aanbod van politieke problemen en oplossingen zodat de samenleving minder flexibel wordt hetgeen stagnatie en verval kan opleveren. Veel mensen weten meer dan één en juist in een vrij debat kan kennis culmineren. Weliswaar kunnen goede raadgevers terroristen en andere despoten ook het nodige informeren, maar in de praktijk worden juist terroristen en moderne despoten veelal gedreven door ‘totale (maakbaarheids)ideologieën’, die mede worden gekenmerkt door een blind dus irrationeel vertrouwen in een radicale reconstructie van de samenleving, met vaak rampzalige gevolgen voor die samenleving.

Deze elementaire politieke spelregels van vrijheid van meningsuiting, politieke participatie en debat en het verbod op het gebruik van dwang en geweld in het politieke sfeer waarin politieke beslissingen worden (voor)gevormd lijken me dan ook wezenlijk voor een goed functionerende liberale democratie en voor elk politiek verband waarin men de burger (gelijk)waardigheid als mens en als “politiek dier” verleent en waarin men zich bewust is dat de samenleving te complex en de toekomst te onzeker is om met een minimaal of eenzijdig pakket aan ideeën en inzichten te kunnen menen de beste beslissingen te kunnen nemen. Plato’s ware en als enige deskundige staatsman bestaat niet: wel hebben sommigen ongetwijfeld meer kennis en inzicht dan anderen, zodat een vertegenwoordigende democratie beter is dan een directe democratie. Maar ook de politieke superioriteit van de volksvertegenwoordigers zal in het debat en de overige politieke praktijk moeten blijken.

Ik merk op dat uit bovenstaande overwegingen volgt dat overreding beter is dan onderhandeling. Bij onderhandeling zijn de betrokken mensen doorgaans niet gelijk of vrij, er is minder kans op volkomen consensus en er is geen culminatie van inzicht. Indien een postpolitieke of postideologische wereld betekent dat onderhandeling de plaats heeft ingenomen van politiek debat, strijd en overreding, dan is dat betreurenswaardig (maar natuurlijk altijd nog beter dan het gebruik van geweld). Ook het daarbij toenemen van de macht van economische instituties en ontwikkelingen (die zich immers van nature buiten de publieke politieke sfeer voltrekken) en het afnemen van de macht van politieke instituties en partijen corrumpeert de politieke samenleving en is niet wenselijk. Overigens is omgekeerd overreding zeker niet altijd mogelijk[19] en kan soms alleen onderhandeling een vredevol compromis bewerkstelligen.

De verhouding tussen politiek en moraal

Met behulp van het voorgaande kan de verhouding tussen politiek en ethiek of moraal worden geschetst en hun beider domeinen enigszins worden afgebakend.

Ten eerste is politiek belangrijker dan moraal omdat politiek ‘groter’ is en wel in tweeërlei zin. Moraal betreft één aspect van het menselijk gedrag (in de woorden van Kant: “wat moet ik doen?”) terwijl politiek al mijn wensen, plichten, belangen, interesses, doelen, idealen, keuzes en preferenties, kortom het gehele weefsel van mijn leven, kan betreffen.[20] Tevens betreft de moraal het handelen van het individu, terwijl politiek als collectief handelen het individu overstijgt en de gehele samenleving betreft.

Daarnaast zijn er een aantal kenmerkende verschillen tussen politiek en ethiek. Politiek betreft het concrete en dynamische en haar oplossingen zijn inherent controversieel en compromisgericht, terwijl (moderne) ethiek universele geldigheid claimt.[21] De moraal kan echter niet worden afgedwongen zoals politieke beslissingen kunnen worden afgedwongen (men denke ook aan Webers analyse van het politieke verband). Ten slotte is nog het volgende van belang. Indien men politiek toch in een ethisch kader wil plaatsen (dus als antwoord op de vraag: “wat moet er (politiek) gedaan worden?”), dan kan de alledaagse of eigenlijke moraal als min of meer deontologisch, want vooral gericht op ‘the right’, worden opgevat (wat zijn mijn uit een innerlijke noodzaak voortkomende plichten?) en de politieke ethiek min of meer teleologisch of consequentialistisch, waarbij de gerichtheid op het doel (als ‘the good’) het middel kan heiligen.[22] Weber sprak in dit verband over de Verantwortungsethik (die wel in de politiek thuishoort) versus de Gesinnungsethik (die niet in de politiek thuishoort).[23] Dit impliceert dat de politicus soms immoreel moet handelen (‘vuile handen’ moet maken) om een hoger want politiek doel te bewerkstelligen. De politicus kan hierbij de raadgevingen van Machiavelli ter harte nemen, maar het is de vraag of in onze transparante democratie de politicus bij het plegen van immoreel gedrag erop kan vertrouwen dat het volk hem slechts op schijn en resultaat zal afrekenen.[24]

Ik merk op dat met name de kenmerken van Aristoteles’ deugdenethiek niet zo wezenlijk verschillen van de kenmerken van de politiek, zodat de verbintenis tussen ethiek en politiek in zijn filosofie een min of meer natuurlijke is. De strikt deontologische of gezindheidsethiek van Kant zou de meest problematische zijn in zijn verheffing tot politiek, ware het niet dat Kant onderscheid maakt tussen volmaakte en onvolmaakte plichten, die min of meer overeenkomen met negatieve en positieve rechten, en hij vooral de nogal minimale volmaakte plichten als rechtvaardigheidsprincipes politieke betekenis heeft toegekend. Deze liberale eis tot respect voor de menselijke waardigheid en vrijheid heeft in onze tijd de vorm van de codificatie van de fundamentele mensenrechten gekregen. Als absolute, universele ethische eisen zijn deze mensenrechten strijdig met de hierboven geschetste aard van de politiek, maar omdat ik een redenering volg die enigszins parallel loopt met die van Kant, waarbij wordt uitgegaan van de menselijke (gelijk)waardigheid en positieve vrijheid enigszins wordt vertaald naar negatieve vrijheid, zijn zijn uitkomsten evengoed niet wezenlijk verschillend dan die ik in deze paper verdedig. Dit zal hieronder blijken waar ik de natuurlijke of immanente verbintenissen tussen politiek en ethiek uiteenzet.

Het innerlijke ethos van de politiek: politieke vrijheid

Uit bovenstaande volgt dat aan de functie van politicus geen andere morele eisen of gedragsregels kunnen worden gesteld, anders dan die van de Verantwortungsethik en die de specifieke beroepsregels hem opleggen: in een democratie moet hij in de eerste plaats de wil van het volk uitvoeren (binnen de grenzen van verstandig en behoorlijk bestuur) en daarover verantwoording afleggen.

De politieke gemeenschap als verzameling van alle burgers kent in nog sterkere mate een eigen, innerlijke ethos, zoals we al hebben gezien: elke burger dient in vrijheid zijn opvattingen en overtuigingen kunnen vormen, koesteren, uiten, verdedigen en pogen de ander in het politieke debat te overtuigen en de politieke mening van de meerderheid met argumenten te beïnvloeden. Juist in een democratie waarin alle burgers gelijkwaardig zijn en dus ook alle standpunten in principe gelijkwaardig zijn, vormt een openlijke strijd der opinies in de publieke sfeer de beste garantie dat het beste standpunt politiek het meest succesvol wordt: het publiekelijk debat is een essentiële aanvulling op het democratisch tellen van stemmen. Retorica, het debat en politieke participatie zijn dan ook wezenlijke elementen en de hoogste waarden van een ware, ten volle ontplooide politieke gemeenschap. Deze eigen ethos van de politieke gemeenschap verbiedt het gebruik van geweld of onderdrukking en eist respect voor elke burger en diens politieke rechten. Men hoeft geen respect te hebben voor zijn opvatting (liever wordt elke opvatting bekritiseerd opdat de beste opvatting moge winnen), maar zijn waardigheid en vrijheid als burger dienen te worden gerespecteerd. In de praktijk van een vertegenwoordigende democratie gelden deze principes natuurlijk vooral voor de politicus, zodat deze moet overtuigen e.d., maar als ‘mandaatverleners’ behouden alle burgers de genoemde politieke rechten.

Ook wanneer die politieke vrijheid niet wordt gerespecteerd, zoals in een dictatuur, doet dat aan bovenstaande niet af: de politieke vrijheid en daarmee in wezen ook de politiek zelf wordt dan onderdrukt. Op dezelfde wijze ruimt een totalitaire Staat of dictatuur het voor de politiek wezenlijke begrip van pluraliteit en (strijdende) partijen niet op, maar wordt dat begrip in feite slechts versterkt door het toepassen van staatsterreur tegen de als vijand opgevatte opponerende partijen.[25]

Het innerlijke ethische telos van de politiek: negatieve vrijheid

Nu in onze moderne democratie de politieke gemeenschap grotendeels samenvalt met de samenleving, geldt wat hierboven over de politieke gemeenschap is gezegd grosso modo ook voor de leden van de samenleving. De politiek is gericht op de samenleving en binnen haar uitgebreide pakket vol taken en doelstellingen is het de primaire en inherente taak en doelstelling van de politiek om de vrijheid en waardigheid van haar burgers en de samenleving als politieke gemeenschap te waarborgen.[26] Weliswaar betekent de gelijkheid van mensen in een democratie – overigens terecht – dat de meerderheid bepaalt wat de doelen van de politiek moeten zijn, en dat kan dus ook het realiseren van een al dan niet fluwelen dictatuur zijn, maar juist daarom is het van belang dat er immer een open en vrij debat plaatsvindt en dat de burger tot politieke participatie wordt gestimuleerd: de liberale majoritarianist moet hopen in het debat de opponenten die een dictatuur wensen te kunnen overreden.[27]

Voor zover dit impliceert dat voor alles dictatuur, onderdrukking en slavernij moeten worden voorkomen met daarbij een hoofdrol voor negatieve rechten, stemmen Kants filosofie en de mensenrechten, dus het traditionele liberaal humanisme, goed overeen met het interne ethische doel van de politiek. Maar Berlin heeft overtuigend uiteengezet dat vrijheid als zelfbestuur, zoals bij het klassieke democratiebegrip en bij Kants autonomiebegrip, in zichzelf de neiging tot (wrede) tirannie bezit, zodat het klassieke Engelse liberalisme een betere waarborg voor de persoonlijke vrijheid van de burger vormt (ook al worden beide verlangens tot onafhankelijkheid vaak even diep gevoeld).[28] Deze Engelse politieke filosofen vatten vrijheid op als vrijheid van inmenging door anderen, hetgeen Berlin het negatieve begrip van vrijheid noemde. De positieve opvatting van vrijheid spruit daarentegen voort uit de wens van de mens om meester over zichzelf te zijn. Terwijl negatieve vrijheid als politiek ideaal een typisch modern fenomeen is, is de geschiedenis van de positieve vrijheid als politiek ideaal ouder en bijvoorbeeld meer verbonden met het democratische ideaal van zelfbestuur. De wens tot meesterschap over jezelf leidt echter makkelijk tot het concept waarbij mijn ‘hogere natuur’, mijn ware ik of de rede dient te heersen over mijn ‘lagere natuur’, empirische ik of mijn irrationele behoeften. Wanneer vervolgens het hogere ik of werkelijke zelf wordt opgevat als een bovenindividuele entiteit zoals de “volonté general” (Rousseau), de Staat (Hegel), de samenleving of de noodzakelijke loop der geschiedenis (Marx), dan is de weg vrij gemaakt voor wrede tirannie over het individu.[29] Bij de negatieve opvatting van vrijheid is een dergelijke transcendentie ook mogelijk, maar blijkt in de praktijk niet makkelijk tot stand te brengen.[30]

Deze negatieve vrijheid impliceert een bepaalde ruimte waarbinnen het individu ongehinderd door anderen kan handelen zoals hij wenst. Verschillende denkers hebben verschillende grenzen van die te respecteren ruimte aangegeven. Een belangrijke kwestie daarbij is de vraag of de moraal en de religie geheel tot deze privé-ruimte behoren (het klassiek liberale standpunt) of dat bijvoorbeeld de moraal in wetten moet worden vastgelegd teneinde de sociale cohesie van de samenleving als primair politiek doel te waarborgen zoals bepleit door onder meer Delvin en de sociologen Parsons en Durkheim.[31] Ik sta met Hart op het standpunt dat morele pluraliteit geen probleem voor de cohesie van de samenleving hoeft te zijn en dat handelingen waarbij er geen slachtoffers zijn niet in het strafrecht thuishoren.[32] Voor een goed functionerende samenleving is slechts van belang dat de burgers een politieke gemeenschap vormen.[33]

Een ander conservatief denker die het domein van individuele vrijheid wilde verkleinen, was Hobbes. De Staat die hij rechtvaardigt, lijkt echter veel op het nachtmerrie-achtige visioen die De Tocqueville beschrijft, waarbij alle macht naar de centrale Staatsmacht vloeit in ruil voor orde en de burger al zijn vrijheid en onafhankelijkheid verliest.[34] Met De Tocqueville ben ik van mening dat dit gevaar moet worden afgewend door middel van het beperken van de Staatsmacht, het erkennen van de onvervangbaarheid van het individu en de garantie van (minimale) rechten en zelfstandigheid van burgers.[35]

Het uiterlijke ethische telos van de politiek: rechtvaardigheid

Naast het natuurlijke, immanente ethische doel van de politiek, in oorsprong de positieve vrijheid die praktisch in ieder geval negatieve vrijheid moet impliceren, kent de politiek nog vele uitwendige, dat wil zeggen niet noodzakelijke, doelen met een meer of minder ethische dimensie. Eén zo’n doel is echter van groot belang, omdat het van oudsher is opgevat als de belangrijkste van alle deugden en de politiek bij uitstek geschikt lijkt om haar zelf of haar voorwaarden te realiseren: rechtvaardigheid.[36] Daarbij is rechtvaardigheid overigens meer een typisch links dan een typisch rechts thema. Links wordt immers gekenmerkt door een abstract-rationele benadering met een gerichtheid op het realiseren van een ideaal van vrijheid en rechtvaardigheid waarbij de ondraaglijke spanning tussen het zijn en het behoren is opgeheven door het volledig moraliseren en omvormen van de sociale orde en zuiveren van de wil van het individu (teneinde uiteindelijk de moraal, de samenleving en zichzelf te kunnen afschaffen); rechts wordt als reactionaire en conservatieve kracht gekenmerkt door ethisch naturalisme, het idealiseren van de realiteit met nadruk op onder meer autoriteiten, tradities, hiërarchie en plicht en gericht op stabiliteit en orde.[37]

Van grote invloed op de hedendaagse politieke filosofie is Rawls’ theorie van rechtvaardigheid geweest. De principes van de rechtvaardige basisstructuur van de samenleving zijn bij Rawls die principes die gekozen zouden worden door samenwerkende, vrije, rationele en hun eigen belang nastrevende personen vanuit de zogeheten ‘oorspronkelijke positie’, dat is de positie achter ‘de sluier van onwetendheid’ dus met alle burgers als gelijke morele personen.[38] Deze fundamentele principes zijn 1) gelijkheid in de toewijzing van basisrechten- en plichten, en 2) sociale en economische ongelijkheden zijn rechtvaardig wanneer ze iedereen, en in het bijzonder de minst bevoordeelden, bevoordelen. Al lijkt deze theorie[39], zowel in haar uitgangspunten als geleverde rechtvaardigheidsprincipes, redelijk en aantrekkelijk, zij biedt niet het definitieve antwoord op de vraag naar de rechtvaardige en voor iedereen acceptabele basisstructuur van de samenleving die zij poogt te geven. Het is bijvoorbeeld onwaarschijnlijk dat een gezindheidsethicus het rationeel-egoïstische uitgangspunt van de ‘oorspronkelijke positie’ zal accepteren, dat een utilist zijn aggregatieve principes opzij zet ten gunste van Rawls distributieve principes, dat een conservatief überhaupt het gedachte-experiment zinnig acht of dat een avontuurlijke gokker of perfectionist de veilige en nivellerende principes zou accepteren. Zoals elke politieke theorie is de theorie van Rawls zelf fundamenteel controversieel en vormt zij slechts één positie in het politieke debat.

Voor andere externe ethische doelen die men door middel van de politiek maatschappij-breed wil realiseren, zoals het recht op abortus of dierenrechten, geldt in hogere mate dat zij slechts deel uitmaken van de veelheid van mogelijke punten op de politieke agenda en die dus geen andere behandeling behoeven dan politieke kwesties met een minder uitdrukkelijk ethische dimensie.

Conclusie

Uit het voorgaande kunnen de volgende conclusies met betrekking tot de ethische dimensie van de politiek worden getrokken.

Politiek verschilt wezenlijk van de gewone of eigenlijke ethiek. Indien het politieke handelen binnen de kaders van de gangbare ethiek wordt geïnterpreteerd, is het meer verwant aan teleologische dan aan deontologische ethiek.

De (democratische) politiek heeft een eigen natuurlijke of immanente ethische praktijk en gerichtheid. In de ethos van de politieke gemeenschap zijn pluraliteit en politieke participatie essentieel, het gebruik van dwang en geweld verboden en vormen debat en overreding de hoogste waarden. Deze politieke ethiek heeft zowel een waarde op zichzelf (autonomie of positieve vrijheid) als een instrumentele waarde (optimale besluitvorming). Het natuurlijke of immanente doel van politiek is vrijheid die het best wordt gewaarborgd door middel van het negatieve concept ervan. Van de uiterlijke ethische doelen van de politiek is rechtvaardigheid haar doel bij uitstek.

Eindnoten:

[1] Zie met name Plato’s Politeia waarin dit idee is uitgewerkt.

[2] Zie Plato: Politikos, m.n. 293-d, 296-b en 309-b t/m 311-c.

[3] Zie Aristoteles: Politica, Boek I, 8-12.

[4] Zie Arendt: The human condition, pp.28-37.

[5] Arendt contrasteert de antieke Griekse opvatting van scheiding tussen het private en publieke domein met die van moderne denkers bij welke laatsten het onderscheid zou zijn vervaagd en de politiek nog louter als functie van de samenleving zou worden opgevat, bijvoorbeeld bij Marx die het handelen, spreken en denken opvatte als louter superstructuren van sociaal-economische belangen. Ik merk op dat veel moderne denkers – al zien zij daarbij sociaal-economische politiek als een noodzakelijk middel – toch ook met Arendt lijken te verlangen naar een rehabilitatie van de Griekse waarden van democratie alsmede vrijheid, gelijkheid en gemeenschappelijkheid (dat associaties oproept met de leus “vrijheid, gelijkheid en broederschap” van de Franse revolutie), maar dan voor iedereen in plaats van voor slechts een kleine elite. Morus en Rousseau zagen immers in de ongelijke sociaal-economische verhoudingen de bron van al het kwaad , Hegels geschiedenis ontwikkelt zich onder invloed van de ‘wereldgeest’ tot een vrijheid voor allen (met een dialectische synthese tussen de antieke Gemeinschaft en de moderne Gesellschaft) en in hun verlengde kan men ook Marx zo interpreteren dat hij door middel van de socialistische revolutie juist af wil van de moderne moraal, samenleving en Staat door middel van een socialistische revolutie die een communistische samenleving zal bewerkstelligen waarin elke burger vrij en waardevol is op basis van de afwezigheid van sociaal-economische ongelijkheid en dus machtsverhoudingen, gelijk het burgerschap in de door Arendt beschreven Griekse polis.

[6] Zie Arendt: The human condition, pp.25-27.

[7] Aristoteles plaatste daarbij de retorica van de politieke wetenschap tegenover de exacte en algemene kennis van de mathematica.

[8] Bekende sofistische uitspraken zijn “De mens is de maat van alle dingen” (Protagoras) en “Ten eerste bestaat er niets. Ten tweede, mocht al iets bestaan, is het onkenbaar. Ten derde, aangenomen dat het kenbaar is, is deze kennis niet mededeelbaar” (Gorgias). De sofisten zouden uiteindelijk ook het recht van de sterkste als een a-moreel natuurrecht hebben onderwezen (zie Plato’s Gorgias), maar het gaat mij hier om de specifieke eigen moraal van de Griekse democratie waarin de sofisten een belangrijke rol speelden. 

[9] Zie Arendt: The human condition, pp.33-37.

[10] Zie ook Habermas: Theorie und praxis, pp.49-71. Dit technocratische karakter vinden we al bij Morus en Machiavelli.

[11] Onder meer het werk van Gauthier en de rational choice theory liggen in het verlengde hiervan. Ook Oakeshotts positie met betrekking tot de soevereiniteit van de Staat doet denken aan Hobbes.

[12] Zie Thompson: Democratic dirty hands, p.12.

[13] Weber: Politik als Beruf, pp.30-31.

[14] Zie The Blackwell Encyclopedia of Political Thought.

[15] Zie ook evolutionaire kennistheorieën als die van Von Hayek en Popper.

[16] Zie De Tocqueville: Democratie in Amerika, pp.93-96, 123-137. Ik merk op dat ook Nietzsche iets later vergelijkbare kritiek op de nivellering, de middelmatigheid en de democratie leverde ten gunste van een zekere esthetische voorkeur voor grootsheid, creatieve vrijheid en een hoger mens.

[17] Bijvoorbeeld Fukuyama en daarvoor reeds Bell (zie De Beus: De morele dimensie van beleid, pp.20-21).

[18] Dit is de betekenis van het begrip van positieve vrijheid bij Berlin, waarop ik later nog zal terugkomen.

[19] Zie ook Gallie: Essentially contested concepts, p.169.

[20] Zie ook Kolnai: The moral theme in political division, p.236.

[21] Ibid, pp.237-238.

[22] Zie ook Kolnai: The moral theme in political division, p.237, en Thompson: Democratic dirty hands, p.13.

[23] Zie Weber: Politik als Beruf, p.98-101. Zijn Verantwortungsethik vs Gesinnungsethik komt overigens niet geheel overeen met teleologische vs deontologische ethiek.

[24] Zie Machiavelli: De vorst, pp.157-158.

[25] Zie ook Kolnai: The moral theme in political division, pp.235-236. Hij verwijst hierbij naar Carl Schmitt die als politiek filosoof verbonden is geweest aan het nationaal-socialisme en daarbij “vriend en vijand” als de centrale politieke categorie opvatte. Totalitaire regimes zijn alleen niet compromisgericht, waarbij het communisme verwacht de vijand te elimineren en het fascisme dwang en geweld als eeuwige principes opvat.

[26] Zie ook Koenis: Het bijzondere karakter van politiek, p.48.

[27] Zie ook Barry: Political argument after 25 years, p.60.

[28] Zie Berlin: Two concepts of liberty, pp.132-133.

[29] Zie ook Kolnai: The moral theme in political division, pp.250-251. Hierin plaatst Kolnai de linkse neiging tot het monistische standpunt tegenover de rechtse neiging tot het holistische standpunt. Dat monisme, met bijvoorbeeld Rousseau’s “algemene wil” als haar uitdrukking, komt overeen met Berlin’s concept van de tirannieke maatschappij zoals gebaseerd op het begrip van de positieve vrijheid.

[30] Berlin beschrijft voorts nog de twee belangrijkste vormen waarin de positieve vrijheid zich in de geschiedenis heeft gemanifesteerd: zelfverloochening, waarbij de mens eenvoudigweg minder wenst om te kunnen doen wat hij wenst, en zelfverwezenlijking, waarbij men via verlicht, metafysisch rationalisme (van met name Spinoza en Hegel) nationalistische, communistische en totalitaire maatschappijen heeft gecreëerd.

[31] Zie Hart: Social solidarity and the enforcement of morals, §§1-2. Terecht wijst Hart erop dat deze “desintegratiethese” van Delvin en anderen in zekere zin het omgekeerde behelst van de “klassieke these” van Plato (en wellicht Aristoteles): waar de klassieke these de samenleving als instrument voor de moraal hanteert, hanteert de desintegratiethese de moraal als instrument voor de samenleving.

[32] Dit is het bekende harmprinciple van Mill.

[33] Zie ook Koenis: Het bijzondere karakter van politiek, p.48. In feite verwoordt Koenis hier het standpunt van Van Gunsteren en Andeweg.

[34] Zie De Tocqueville: Democratie in Amerika, pp.124-127.

[35] Ibid., p.133. Alhoewel De Tocqueville beschrijft hoe juist de democratische welvaartsstaat door met name het individualisme bijzonder ontvankelijk is om in een almachtige, totalitaire Staat te veranderen, zien we dat de huidige natiestaten vanwege met name de globalisering juist eerder te zwak zijn geworden om in voldoende mate de rechten van mensen te waarborgen.

[36] De politieke filosofie van Plato is een bekend voorbeeld van het streven om de voorwaarden van zo’n door de politiek geconstitueerde rechtvaardige samenleving te beschrijven.

[37] Zie Kolnai: The moral theme in political division, pp.240-253. Links wordt hier opgevat als (met name) liberalisme, socialisme en anarchisme, rechts als de reactionaire en pre-politieke traditionalistische reactie daarop (met name conservatisme en fascisme). Ik merk op dat zowel Weber als Berlin en Kolnai met hun kritiek op gezindheidsethici, moralisten en door het begrip van de positieve vrijheid gedreven tirannieke monisten in de politiek met name (revolutionair-socialistisch) links op het oog hadden.

[38] Zie Rawls: Theory of justice, pp.10-11.

[39] De theorie sluit met name aan op de traditie van de sociale contracttheorie en het liberaal humanisme van Kant, zodat ook deze theorie qua resultaten niet strijdig lijkt met de in dit paper verdedigde politieke theorie. De theorie van Kant is rationalistisch en deontologisch zuiverder dan die van Rawls, omdat die van Rawls ondanks z’n rationalistische en deontologische schijn bovenal instrumentalistisch is: uiteindelijk gaat het bij Rawls om wat mensen zouden kiezen om maximaal voordeel voor zichzelf te behalen vanuit een gelijke positie en om een stabiele, door iedereen acceptabele, samenleving.


2 January 2007
By on 22:39
geselecteerd als gefixeerd bericht

Deze weblog is bedoeld om uiting te geven aan mijn grote liefhebberijen filosofie, wetenschap en kunst. Ik heb echter geen relevante opleidingen gevolgd en veel te weinig vrije tijd om me zo intensief in deze zaken te verdiepen als ik graag zou willen. Ik benadruk dan ook dat ik geenszins pretendeer de zaken altijd juist weer te geven. Mijn schrijfsels moeten opgevat worden als spontane en hopelijk interessante hypotheses en analyses die uitnodigen voor discussie en/of nader onderzoek.

15 November 2006
By on 03:04
Waarom filosofie beter is dan terrorisme

Een essay over de arrogantie van de macht en de heilzame werking van democratie

Filosofie is ondermijnend en/of constructief. Zij is ten eerste subversief, omdat het al onze kennis en waarden in twijfel trekt. Maar dat doet zij omdat zij juist de zekerheid zoekt: de filosoof zoekt naar de rechtvaardiging van onze opvattingen en overtuigingen door middel van vragen als “waarom is 1 + 1 = 2?”, “waarom kan ik er zeker van zijn dat de tafel waaraan ik zit echt is?”, “waarom is het vermoorden van mensen slecht?”. Indien zij onze opvattingen rechtvaardigt, is zij constructief, schenkt zij ons een logische, rationele structuur en zekerheid in ons denken en handelen, bevestigt zij de gevestigde orde. Maar er is altijd een risico dat filosofie geen rechtvaardiging voor onze overtuigingen vindt, ons wereldbeeld op losse schroeven zet, ons overlaat aan de onzekerheid of zelfs een nieuwe, andere wereld voorspiegelt als de ware werkelijkheid.

De sociale en politieke gevestigde orde staat doorgaans dan ook wantrouwend tegenover filosofie. U kent de voorbeelden van Socrates die door de gevestigde orde gevraagd werd de gifbeker te drinken en de Renaissance-filosoof Bruno die op de brandstapel werd gezet. In de jaren ’60 van de vorige eeuw stond filosofie ook duidelijk aan de kant van de rebellerenden en lieten de radicale studenten zich inspireren door het werk van Sartre, Marcuse en andere filosofen (en natuurlijk was ook het revolutionaire marxisme in die tijd van de Koude Oorlog nog alles behalve dood). Maar de laatste tijd zie ik weinig linkse mensen nog met filosofie flirten. Het zou kunnen dat links de nederlaag van het marxisme nog altijd niet heeft verwerkt of dat hedendaags links met de hippies in de jaren ‘60 een romantische, minder rationele en meer mystieke wending, heeft genomen, maar ik vermoed dat een andere en minstens zo belangrijke oorzaak is dat de jaren ’60-revolutie links aan de macht heeft gebracht zodat nu links deel uitmaakt van de gevestigde orde en dus nu zelf wantrouwend is komen te staan tegenover filosofie. Terwijl in de jaren ’60 links de gehele maatschappij vanaf de bodem opnieuw wilde opbouwen, is links thans het toppunt van conservatisme en hecht zij net zo aan de status quo als de royalisten aan het koningshuis: “de multiculturele samenleving is er nu eenmaal, dat moet je maar accepteren” zegt links wanneer iemand op de gebreken van de multiculturaliteit wijst. En zoals Jehova’s Getuigen elke discussie onmogelijk maken door altijd als laatste argument naar voren te brengen: “Het is waar, want het staat in de Bijbel”, zo wijst ook links graag naar haar Bijbel als ultiem argument: “Het invoeren van de doodstraf is nu eenmaal onmogelijk, want de Grondwet en de Internationale Verdragen staan dat niet toe”. En dat is nog het gunstigste geval: bij minder geluk wordt de criticaster of opponent slechts minachtend uitgemaakt voor dom, slecht, racistisch of minderwaardig en wordt het zelfs niet nodig gevonden om schijn-argumenten als bovenstaande te hanteren. Het is duidelijk: links behoort inmiddels tot de gevestigde orde en wenst niet meer in discussie te treden.

Toen ik nog jong en links was, had ik veel sympathie voor terroristen, want, zo redeneerde ik, alleen met geweld is er een kans dat onrecht wordt recht gezet. Immers, waarom zou de machtige onderdrukker vanwege een vriendelijk verzoek daartoe stoppen met het onderdrukken van de machteloze, als het niet in zijn belang is om ermee te stoppen? Zelfs het aangaan van een gesprek ontneemt de Macht, althans tijdelijk, reeds al zijn macht, want in een discussie heb je niks aan (materiële) macht en strijden beide partijen met gelijke wapens. Een koning kan een discussie met een bedelaar verliezen. En dus laat een koning zich niet snel verleiden tot een dialoog en rest de onderdrukte niets anders dan geweld teneinde zich uit z’n mensonterende positie te bevrijden.

Ik geloof nog steeds in de waarheid van bovenstaande redenering, in zoverre dat in de praktijk de onderdrukte partij altijd zal willen praten en discussiëren (want dat kan die partij alleen maar baten) en dat de onderdrukkende partij meestal de discussie zal afwijzen (want een discussie kan die partij alleen maar schaden). Maar tegelijkertijd ben ik gaan geloven dat de mens een animal rationale is en dat zeker de intellectuelen de verleiding tot gesprek en discussie niet zullen kunnen weerstaan, zelfs als zij deel uit maken van de macht. Zodoende heeft praten toch vaak zin: uiteindelijk wordt er toch wel geluisterd (althans in de meeste gevallen). De arrogantie van de macht kan niet eeuwig standhouden: (ware) woorden vanuit de oppositie, zelfs wanneer zij gesmoord worden in censuur, zijn vaak als het water dat de hardste rots doet eroderen (zoals bijvoorbeeld geschied in de Sovjet-Unie).

Dat geldt zeker in een democratie. Want voor een ware democratie zijn dialoog en discussie essentieel. In de oorspronkelijke democratie in de Griekse polis betekende democratie aantreden in de politieke arena om te redevoeren en (hopelijk) je gelijk te halen. Niet voor niks kwam de retorica, als kunst van het redeneren, tot bloei in deze prille democratie. En democratische politiek als discussie in de publieke sfeer brengt zo ook filosofie voort. Want wanneer je je standpunt tegenover een ander verdedigt, word je gedwongen tot reflectie: waarom vind ik dit goed en dat verkeerd? Hoe leg je bijvoorbeeld aan een veeboer uit dat het martelen van dieren moreel verkeerd is? Waarom is het martelen van dieren eigenlijk verkeerd? Democratie en discussie dwingen tot nadenken, tot het omzetten van je persoonlijke gevoelens en overtuigingen in begrijpelijke woorden en overdraagbare rationele redeneringen. Democratie leidt tot het zoeken naar de rechtvaardiging en daarmee impliciet het in twijfel trekken van je overtuigingen: democratie maakt van de burger een mondige redenaar en een filosoof. De dialoog dwingt tot begrip en inlevingsvermogen in de ander, tot de vrijheid van meningsuiting en verdraagzaamheid jegens andersdenkenden. In een ware democratie is iedereen gelijk, slechts bewapend met opvattingen en ratio en overwint altijd het woord en het redelijke.

Die ware democratie is echter niet vanzelfsprekend. Wanneer de discussie niet aangegaan wordt, blijft iedereen gevangen in zijn eigen gelijk en in de status quo, zonder de voor een gezonde democratie zo noodzakelijke communicatie en redelijkheid. Discussie wordt dan vervangen door arrogantie en bedreigingen, woorden door wantrouwen en wapens, vooruitgang door stilstand en geweld. Te makkelijk glijdt de democratie dan af naar louter het tellen van de stemmen bij de vierjaarlijkse verkiezingen, wanneer de mensen even uiting kunnen geven aan hun overtuiging middels een armzalige, anonieme stem die onmiddellijk verzuipt in de massa en direct naar de gevestigde macht vloeit.

Het zal duidelijk zijn: ik pleit voor minder arrogantie, dat tot isolement, multicultuur en terreur leidt, en voor een open samenleving met meer democratie en discussie.

30 September 2006
By on 14:39